De wereldminuut van Waterloo

Volgende week vrijdagavond, met het lossen van het eerste schot, begint de heropvoering van de Slag bij Waterloo. Dit jaar groots aangepakt – vijfduizend man in uniform, driehonderd paarden en honderd kanonnen – want op 18 juni is het tweehonderd jaar geleden dat Napoleon met zijn Fransen ten zuiden van Brussel werd verslagen door een Brits-Pruisisch-Nederlandse coalitie.

Hoe zat het ook alweer? Eind februari 1815 ontsnapte Napoleon van het eiland Elba. Europa had een kwart eeuw revolutie en oorlogen achter de rug. De Fransen hadden Spanje, Nederland, Italië en Polen veroverd, maar waren na een mislukte mars op Moskou verslagen. Het nieuws van de ontsnapping bereikte de overwinnaars, terwijl ze in Wenen moeizaam de kaart van Europa hertekenden. Ineens hadden ze weer een gezamenlijk doel: Bonaparte definitief verslaan. Britten, Pruisen, Oostenrijkers en Russen zouden elk een leger op de been brengen. Inmiddels had Napoleon vanuit het niets – als quasi-drenkeling geland – Frankrijk in handen en zijn Armée gereconstrueerd. Hij begreep het gevaar en koos voor de aanval. In de minderheid was dit zijn enige kans Britten en Pruisen afzonderlijk te verslaan, voor de Russen en Oostenrijkers zich bij hen voegden.

Tussen 15 en 18 juni lukte dit bijna, maar uiteindelijk net niet. Waar ging het mis? Waar werd Waterloo ‘Waterloo’? Een veldslag was veel giswerk. Militair historicus Tim Clayton schreef Waterloo: The Four Days that Changed Europe’s destiny. Fascinerend in deze reconstructie zijn de verwarring, misverstanden en blunders aan alle zijden – slechte kaarten, onbetrouwbare boodschappers en de aanhoudende regen. In Claytons vijfhonderd pagina’s is er niet één beslissend moment: steeds kunnen de kansen keren, steeds kun je denken ‘hadden zij maar dit’, of ‘hadden die maar dat’. Daarentegen richt Brendan Simms in The Longest Afternoon de schijnwerpers op één plek: de boerderij La Haye Sainte waar 400 schutters uit Hannover in Britse dienst de veel sterkere Franse vijand een hele middag bezighielden. Toen ze zich terugtrokken, was het te laat voor Napoleon om Wellington de genadeklap toe te dienen voordat de Pruisische generaal Blücher (op 16 juni bij Ligny verslagen, maar niet vernietigd) zich op het strijdtoneel meldde en de Brits-Duitse coalitie de Fransen bedwong. Weer anders doet Stefan Zweig het in een prachtige korte tekst in Sternstunden der Menschheit (1927). Bij hem balt de wereldgeschiedenis zich samen in één beslissing, van een man die er niet op berekend was. Het is de Franse maarschalk Grouchy, omhooggevallen na jaren oorlog waarin vele officieren met meer moed of verstand waren bezweken onder Oostenrijkse kogels, Egyptische hitte of Russische vrieskou. Hem geeft Napoleon de opdracht om met eenderde van de troepen de half verslagen Pruisen te achtervolgen; de hele strategie hing immers op het uiteenhouden van Wellington en Blücher. Grouchy komt de Pruisen echter niet op het spoor, dwaalt anderhalve dag in de Belgische bossen. Dan volgt, op 18 juni, wat Zweig de ‘wereldminuut van Waterloo’ noemt: zijn mannen horen kanongebulder, zonder twijfel de beslissende slag. „Erop af!” Maar Grouchy aarzelt, houdt vast aan het bevel van de keizer en blijft zoeken naar de ontsnapte Pruisen. Hij ontbeert oordeelsvermogen en mist zijn moment.

Niemand had het overzicht; soldaat of generaal. Elk kende maar een stukje van het geheel. Wellington zelf, de geroemde overwinnaar, vergeleek een veldslag later met een bal; net als op een feest gebeurt er van alles tegelijk. Grote verhalen, kleine verhalen, en daarna begint de woordenstrijd om wie welke beslissing bracht. En als de inzet maar hoog is – een veldslag, een WK-finale, een reddingoperatie – dan is het napraten onuitputtelijk.