Als het zo uitkwam, liet de sjah Israël snel weer vallen

Eind jaren vijftig zocht Israël in de Arabische periferie bondgenoten om sterker te staan in het Midden-Oosten. De ‘vriendenclub’ bleek niet veel waard, maar toch bloeit de ‘periferie-doctrine’ weer op.

In 1965 kreeg de jonge Israëlische militair Yossi Alpher een opmerkelijke opdracht. Hij moest een militair handboek uit het Hebreeuws in het Engels vertalen voor vier officieren die naar Iraaks Koerdistan gingen om de Koerden te adviseren in hun strijd tegen het leger van Saddam Hussein. Ze konden geen Hebreeuws handboek meenemen naar Koerdistan omdat alleen het hoogste leiderschap daar wist dat de nieuwe adviseurs Israëliërs waren. Israël was immers melaats in de regio.

Zo raakte Alpher betrokken bij de ‘periferie-doctrine’, een strategie die in 1957/58 was uitgedacht en ontwikkeld door premier David Ben Gurion samen met een klein aantal medewerkers van de Mossad, de inlichtingendienst voor het buitenland. Het idee erachter was simpel. Het jonge Israël werd bedreigd door een ring van vijandige Arabische staten, onder aanvoering van de Egyptische buurman Gamal Abdel Nasser met zijn agressieve Arabisch-nationalistische ideologie. Dus zocht Israël bondgenoten in de periferie van de Arabische kern-regio, zoveel mogelijk niet-Arabisch, en liefst niet-islamitisch.

Drie categorieën

Uiteindelijk telde de vriendenclub drie categorieën. Allereerst de niet-Arabische, islamitische mogendheden Turkije en Iran – de zogeheten noordelijke driehoek, of ook wel Trident, en de Afrikaanse landen Ethiopië en Kenia – de zuidelijke driehoek. Ten tweede een serie Arabische landen die ook zo hun problemen hadden met de Arabische kern: Marokko, Oman, Soedan, Jemen. En ten slotte niet-Arabische en/of niet-islamitische minderheden in vijandige buurlanden, met name de christelijke maronieten in Libanon, en de Koerden in Irak.

Alpher stapte over naar de Mossad, en bleef als zodanig nauw betrokken bij de ‘periferie-doctrine’. Later bekeek hij de strategie vanuit universitair perspectief. Nu heeft hij op basis van zijn eigen ervaringen en talrijke interviews met andere betrokkenen en analisten de geschiedenis van de ‘periferie-doctrine’ geschreven die wat hem betreft mede dient als les voor een nieuwe ‘periferie’. De oude nabije vijanden, zijn immers óf vredespartners geworden (Egypte, Jordanië) óf als bedreiging uitgeschakeld (Syrië, Libanon, Irak). Maar een nieuwe groep vijanden is opgedoemd in de gedaante van de politieke islam, en,schrijft Alpher, de afgelopen jaren is verlangen gegroeid naar een nieuwe, soortgelijke vriendenclub om deze nieuwe vijand in te dammen.

Daarom, aldus Alpher, is het nuttig naar de winst- en verliesrekening van deze strategie te kijken. Het vlaggeschip was natuurlijk Trident, de verstandhouding met Turkije en Iran onder de sjah. Maar eigenlijk, zo betoogt Alpher, was voor Israël alleen het bestaan ervan relevant. De boodschap die ervan uitging, was: wij hebben erg belangrijke vrienden. Het leidde nooit tot een formele alliantie, en de sjah (evenals alle andere perifere vrienden) liet Israël even gemakkelijk in de steek als het hem zo uitkwam. Trident kwam ten einde met de islamitische revolutie in Iran in 1979 die een anti-Israëlisch bewind in Teheran aan de macht bracht. De betrekkingen met Turkije overleefden wel. Deze verslechterden pas na 2000, met het aan de macht komen van de gelovige AK-partij, waardoor het leger in Turkije minder invloed kreeg. Met het leger had Israël juist de meest profijtelijke relaties.

Omstreeks 1980 kwam er een einde aan de periferie-strategie. Toenmalig minister van Defensie Sharon probeerde in 1982 nog met een grote militaire invasie de maronieten in Libanon aan de macht te brengen, maar deze ‘romance had een ongelukkig einde’ zoals Alpher het uitdrukt. Net als staten bleken minderheden doorgaans onbetrouwbare bondgenoten.

Extremisten

Er volgde een periode van toenadering tot de Arabische kern. Daarin was de ‘periferie’ dan wel weer nuttig. Marokko verrichtte het voorwerk voor het bezoek van de Egyptische president Sadat aan Jeruzalem. Maar nu moslim-fundamentalisten en extremisten oprukken, heeft een gevaarlijke ‘periferie-nostalgie’ Israëlische leiders in haar greep gekregen. Dat is het idee dat Iran eigenlijk een natuurlijke bondgenoot van Israël is, en dat een aanval op zijn nucleaire installaties tot regimewijziging en terugkeer van de goede oude tijd zal leiden. Maar, zoals gezegd, ook de sjah is nooit een echte bondgenoot geweest. Een Israëlische aanval zal eerder tot versterking van de steun voor het regime leiden.

Alpher schreef een zeer interessant boek, waarin hij alleen wat meer aandacht had mogen besteden aan de huidige pogingen tot toenadering tot Saoedi-Arabië in het kader van de strijd tegen Iran en zijn bondgenoten. Ex-minister van Buitenlandse Zaken Avigdor Lieberman suggereerde vorig jaar dat een formele relatie niet meer dan een kwestie van tijd was. De tijd zal leren of de Saoedische leiders even onbetrouwbare geallieerden zijn als die vroegere perifere leiders.