Wilson eet geestig een banaan

De donderende knal van onweer schudt de zaal door elkaar bij de opening van Krapp’s Last Tape. Het begint hard te regenen, met doordringend versterkt geluid. De slag van de regen zwelt aan en ebt weg. Wat geeft regen toch een mooi geluid. Maar Wilson geeft zijn publiek een kwartier om dit ritme te overwegen, en dan voelt het gaandeweg bij vlagen ook als helse herrie.

In het donker zit Krapp, gespeelde door avant-garde theatermaker Robert Wilson. Bij een bliksemflits licht zijn wit geschminkte gezicht demonisch op. Hij beweegt artificieel, als een vastlopende mimespeler: iets pakken, bevriezen, een hand met de vingers gespreid omhoog gehouden. Dat gebroken ritme pakt geestig uit bij het pellen en eten van een banaan. Goed een banaan eten is een belangrijke kunst in dit stuk van Beckett.

Dan gaat Krapp zijn banden luisteren, zijn audiodagboek. Hij hoort zijn dertig jaar jongere ik spreken over zijn dromen, zijn stoelgang, zijn liefdes. Had jij gelukkig kunnen worden? De oude Krapp krijst, huilt. Windt zich op over de stommeling die hij was. Voortdurend zet hij de band stil. En staart in het niets.

Dan neemt Krapp een nieuwe band op. Net als zijn jongere ik betuigt hij tevreden te zijn dat het allemaal voorbij is, die jongere jaren. Hij brandt van verlangen naar het einde.

Deze Beckett kan een ontroerend en stekend stuk zijn, maar Wilson heeft de pijn en teleurstelling van de ouderdom vervangen door theatrale vormgeving. De bewondering voor die drastische ingreep heeft het ritme van de regen: zwelt aan, ebt weg.