Waarom Vlamingen toch zo van Nederlanders houden

Het Laatste Nieuws lijft Jan Mulder in voor een recordbedrag als columnist: hij zou 750.000 euro krijgen voor drie jaar columns schrijven. Mulder is populair in Vlaanderen, net als Jan Boskamp. Waarom doen uitgerekend zij het zo goed bij onze zuiderburen? Vlaming en sportkenner Filip Joos zoekt naar een verklaring.

Jan Mulder brak door in Vlaanderen tijdens het WK.
Jan Mulder brak door in Vlaanderen tijdens het WK.

‘En, blauwe schouder zeker?’ Het is de vraag die me de voorbije vijf jaar het vaakst is gesteld, meestal vergezeld van een tikje op die plek. Haast altijd vergezeld van een bulderlach, die ons bij het eigenlijke onderwerp brengt, want de kleur van mijn schouder doet niet echt terzake. Wel Johan Boskamp, de man die mij twee keer per maand – bulderlachend – op een mokerslag trakteert. Hij doet dat in de voetbaltalkshow Extra Time, één opmerking over alweer een nederlaag van Feyenoord volstaat.

‘Dat is nogal ne kerel hé’, poneert de man ten slotte, waarna hij grinnikend zijn weg vervolgt, blij dat hij via mijn schouder even in de nabijheid van Boskamp kon vertoeven.

Nogal een kerel. Wis en waarachtig. Hetzelfde geldt, op volstrekt andere wijze maar in dezelfde mate, voor Jan Mulder. Twee Nederlanders die door voetbalminnend Vlaanderen aan de boezem worden gedrukt.

Waarom?

Ze spreken onze taal, dat helpt. Toch zijn ze exotisch. Anders. Dat werkt ook andersom: de inmiddels overleden Rik de Saedeleer was ook in Nederland een populaire voetbalcommentator. Vreemd en toch nabij, het is wel vaker een onweerstaanbare combinatie. Bij Jan Mulder en Johan Boskamp is er meer. Ze kennen het voetbal én het medium televisie als hun broekzak, voelen perfect aan wanneer de boel indommelt, beheersen de kunst van de (kwink)slag, zijn rastalenten. In allebei herken je nog de voetballer, in Mulder de gratie in zwart-wit, in Boskamp de stootkracht van kleur. En – belangrijk – ze komen uit Nederland. Neen, uit Holland.

Voor Belgen van mijn generatie, prille veertigers nu, is er maar één glorieus voetbalmoment: Georges Grün die in de Kuip de Rode Duivels naar het WK van 1986 kopt. Dat we daar in het bloedhete Mexico met alle geluk van de wereld en met soms schabouwelijk voetbal vierde werden, ach, mooi meegenomen, maar Leo Beenhakker die eenzaam wordt opgeslokt door de spelerstunnel in de stijf bevroren Kuip, dát was de ware triomf. Wij wel naar de wereldbeker. Holland niet.

Toen ik kind was gingen we steevast op reis naar het zuiden van Frankrijk. De weg naar de Azurenkust was gelardeerd met files. En met Hollandse caravans. Tot jolijt van mijn ouders, schitterende mensen die naastenliefde hoog in het vaandel hadden, maar zo’n caravan, daar deden wij niet aan. Kamperen, stel je voor! Rare mensen, die Hollanders, dat ze dat ontspannend vonden, ’s ochtends in de rij voor het toilet, jakkes!

Elk jaar weer waren we, één dag na aankomst op onze vakantiebestemming, al bevriend met... Hollanders. Een iets te ver getrapte bal op het strand – ‘Sorry mevrouw!’ Een traan om een in het zand gevallen ijsje – ‘Kop op knul!’ Later een gewaagde bikini van een vroegrijpe boven-de-Moerdijkse. Gestamel, meer niet. Telkens opnieuw gingen we voor de bijl, voor dat mengsel van vriendelijkheid, spontaneïteit, spraakzaamheid, luidruchtigheid, zelfs schaamteloosheid.

In het voetbal hebben we decennia moeten toekijken hoe Oranje een eigen stijl kweekte, de wereld verbaasde. Hoe het, eerst met Johan Cruijff en later diens ideologie, trainers naar de vier windstreken uitzond. Wij voetbalden rond onze kerktoren. En hadden een knoert van een minderwaardigheidscomplex, laafden ons stiekem aan de Nederlandse televisie, aan Hugo Borst en Jan Mulder.

Dat twee van die Nederlanders zich hebben verwaardigd om neer te dalen van die oranje Olympus en ons te verblijden met hun inzichten in de sport waarin ze een eeuw lang onze meerdere waren, dat vinden wij onbewust onnoemelijk fijn. Dat ze dat zonder kapsones doen en elk op hun manier aaibaar zijn, vinden wij nog fijner. Het zijn populaire populieren. Hoge bomen, die luid ruisen en toch nauwelijks wind vangen. Een zeldzame combinatie.

In juli trek ik twee weken naar Frankrijk. Naar de Auvergne. In een huisje. Op een domein waar ook kampeerplaatsen zijn. Ik beloof plechtig dat ik niet zal lachen met uw caravan. Blijft u dan van mijn schouder?