Opinie

Slaven: de hoeksteen van onze geschiedenis

In de aanloop naar 11 juli zal het aantal fora, tentoonstellingen en televisieprogramma’s over Srebrenica nog wel toenemen. Prima, zo’n check op de Nederlandse zelfgenoegzaamheid. Al betreft dit herdenken natuurlijk een gebeurtenis waarvoor Nederlanders hoogstens zijdelings verantwoordelijkheid dragen: we hadden misschien meer kunnen doen, maar de misdaad zelf werd niet door Nederlanders bedacht en uitgevoerd.

Bij directe Nederlandse verantwoordelijkheid voor wandaden lijkt de vaderlandse neiging tot herdenken beduidend geringer. Sterker nog: dan leidt niet zelden de historische gang van zaken een sluimerend bestaan in het collectieve geheugen, weggezet als weliswaar zeer betreurenswaardig, maar gelukkig lang geleden.

De socioloog Abram de Swaan heeft er vorig jaar in zijn Compartimenten van vernietiging op gewezen dat dit het geval is voor de Atjeh-oorlogen (1873-1914). Naar aard en aantallen slachtoffers, meent De Swaan, verdienen die oorlogen alleszins het predicaat genocide. Toch zijn serieuze publicaties over dit onderwerp zeldzaam. Gelukkig verschijnt er van de hand van schrijver en publicist Anton Stolwijk over de Atjeh-oorlogen volgend jaar een boek – de eerste omvangrijker studie hierover sinds een boek van Paul van ’t Veer uit de jaren zestig.

Maar geschiedenis is net als misdaad of ontrouw: op den duur komt alles uit. Over slavernij bijvoorbeeld, en dan bedoel ik niet het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel en de slavernij in de West – daar staat in Amsterdam zelfs een slecht bezocht Nationaal Monument voor. Nee, de slavernij zoals die onder de hoede van de Verenigde Oost-Indische Compagnie – u weet wel, die van de VOC-geest – bestond op Java, Ceylon, de Kaap en de andere oorden in de Oost waar de Hollandse handelsgeest zich deed voelen.

De historicus Matthias van Rossum geeft er een beeld van in zijn recentelijk verschenen Kleurrijke tragiek. Er schijnen de afgelopen jaren meer publicaties over dit onderwerp te zijn geweest, maar die waren me eerlijk gezegd ontgaan, zodat er bij lezing van Kleurrijke tragiek een wereld openging. Dat er in de Oost ook formeel-juridisch slavernij bestond, compleet met slavenopstanden, door de rechter gesanctioneerde lijfstraffen etcetera, dat was nieuw voor mij.

De VOC, zo laat Van Rossum zien, was institutioneel zelden bij slavenhandel betrokken. Maar uit met name juridische archiefstukken toont hij aan dat de VOC wel op grote schaal gebruikmaakte van slavenarbeid, commissie op de slavenhandel ving, gevluchte slaven opspoorde en bestrafte. Bovendien nam veel hoger kader van de VOC ‘normale’ handelsreizen te baat om aan de oevers van de Indische Oceaan voor eigen rekening slavenhandel te drijven.

Het moet maar eens uit zijn met het bagatelliseren van de slavernij onder Nederlandse vlag, meent Van Rossum: veel wijst erop dat die helemaal geen economisch-marginaal fenomeen was, zoals over de slavernij in de West wel gezegd is. Slavernij was een hoeksteen van de Nederlandse koloniale expansie, zowel in de Oost als in de West. We weten er alleen nog te weinig van. Er valt voor het nationaal geweten nog veel te doen.