Opinie

Samen in bed

Nietsvermoedend wilde ik op een middag het Spui in Amsterdam oversteken, toen een surrealistisch tafereel mijn aandacht trok. Op het plein stonden, achter een lage provisorische afscheiding, met enkele meters tussenruimte zeven brede bedden met wit beddegoed. Op elk bed zat of lag een nog tamelijk jonge vrouw die verwezen voor zich uitkeek. Hun schoenen of laarsjes stonden naast het bed.

Vreemd, zeer vreemd. Dat vonden ook de schaarse voorbijgangers die bijna zonder uitzondering verbouwereerd bleven staan.

Het was etenstijd, ik wilde snel naar huis doorlopen, maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn plichtsgevoel. Ik liep een rondje om de vrouwen heen, probeerde ze aan te kijken, maar ze keken niet terug. Hun stille aanwezigheid op die verder lege bedden had iets desolaats, alsof ze zich alleen op de wereld voelden.

Op zeker moment liepen zeven andere vrouwen het afgepaalde gebied binnen, trokken hun schoeisel uit en schoven ieder in een bed. Sommigen zwegen, anderen draaiden hun gezicht naar de vrouw die er al in lag; die begon na enkele minuten te praten. Het samenzijn duurde een minuut of tien; daarna gingen de bezoekende vrouwen weg en bleven de andere vrouwen weer alleen achter.

Dit was kunst, had ik al vermoed, maar hoe en wat? Aan een paal hing een tekst met toelichting. Het was een zogeheten installatie-performance van de Argentijnse theatermaker Fernando Rubio in het kader van het Holland Festival. Je kon voor vijf euro een kaartje kopen en bij een van die vrouwen in bed schuiven; dat hadden die bezoeksters gedaan. De vrouwen op de bedden waren Nederlandse actrices.

Verder begreep ik dat de actrice je een door Rubio geschreven poëtisch verhaaltje vertelt „over de onpeilbare leegte van eenzaamheid die je plots kan overvallen, en over de troostende woorden, de dromen en de schoonheid die het geluk weer binnen bereik brengen”.

Als dat lukte, had je die vijf euro er wel uit, en dan maakte je ook nog kans op de bonus dat ze je even over gezicht of arm zou strijken, „een vluchtig gebaar dat de intimiteit van de voorstelling nog eens versterkt”.

Toch viel mij op dat geen enkele man aanstalten maakte; het waren steeds weer andere vrouwen die aanschoven. Ik ging mijn licht opsteken bij enkele dames van de organisatie. Toen ze hoorden dat ik „van de pers” was, boden ze me meteen een gratis plaatsje aan. „Het is indrukwekkend”, beloofden ze.

Op dat moment meldde zich de eerste mannelijke bezoeker die een kaartje wilde kopen. Het was een pafferige man met een bleek, opgeblazen gezicht. „Kan ik er nog bij?”, vroeg hij hijgend. Hij moest wachten tot morgen, alles was volgeboekt.

Ik hoorde dus blij te zijn met mijn vorstelijke persplaats, maar toch bedankte ik voor de eer. Er was een guur windje opgestoken, het leek me een kille bedoening op die bedden. Bovendien kreeg ik een hinderlijk visioen van mezelf, ongemakkelijk achterover liggend, mijn bleke, verkouden neus sip boven het dekbed uitstekend, terwijl een actrice naast me een misschien wel heel beroerd poëtisch verhaaltje van ene Rubio opzegde. Wat zou het kunnen opleveren, behalve een geslaagde foto voor de sociale media? Ook zag ik nogal op tegen het noodzakelijke telefoontje naar huis: „Ik kom wat later eten, want ik kan gratis en in het openbaar op het Spui bij een actrice in bed kruipen.”