Op zoek naar de man die zijn leunstoel nooit meer uit komt

Vandaag verschijnt een onderzoek over participatie in Rotterdamse wijken. Uit dat onderzoek blijkt dat in rijke wijken mensen veel meer participeren dan in armere wijken. Terwijl de kwetsbaren een beetje hulp harder nodig hebben.

Een straat in de Rotterdamse wijk Feijenoord-Hillesluis. Dit is niet het huis van een van de personen die in de artikelen voorkomen. Foto Peter de Krom
Een straat in de Rotterdamse wijk Feijenoord-Hillesluis. Dit is niet het huis van een van de personen die in de artikelen voorkomen. Foto Peter de Krom

Als er in de straat wat moet gebeuren, stelt Ellen de Ronde even een ‘ploegie’ samen. Zoals laatst, toen ze voor de hele straat bloempotten had geregeld, samen met haar nicht Nettie Veenendaal die aan de overkant woont. De ene buurman haalde de aarde, een andere buurman haalde ergens de planten op die Ellen de Ronde goedkoop had geregeld. En zelf zette ze er een bakkie koffie bij en zorgde voor een broodje. „We maken er iets gezelligs van.”

Ellen de Ronde en Nettie Veenendaal noemen dit ‘iets gezelligs doen’. De overheid zou het ‘participeren in de buurt’ noemen. En het is best bijzonder dat Ellen en Nettie dat allemaal doen, want ze wonen in de arme Rotterdamse wijk Feijenoord-Hillesluis.

Rijke wijken participeren beter

Uit onderzoek in verschillende Rotterdamse wijken van sociologen Godfried Engbersen en Erik Snel van de Erasmus Universiteit, dat vandaag wordt gepresenteerd, blijkt dat in rijke wijken mensen veel meer participeren dan in armere wijken, zoals Feijenoord-Hillesluis.

En dat is lastig voor mensen die hulp nodig hebben. Voorzieningen als buurthuizen, bibliotheken en dagbesteding voor kwetsbare mensen verdwijnen en burgers moeten dat (deels) opvangen, constateren de onderzoekers. En juist armere mensen in achterstandswijken, die het het hardst nodig hebben, kunnen dat niet.

Mensen die hulp nodig hebben, moeten dat nu zelf regelen, zegt Jenny Zwijnenburg van welzijnsstichting DOCK. En mensen in achterstandswijken kunnen dat vaak niet. „Ze hebben geen netwerk, ze hebben geen idee bij wie ze moeten aankloppen. Soms spreken ze onvoldoende Nederlands.”

Dat niet meer automatisch alles voor iemand gedaan wordt, vindt Zwijnenburg helemaal niet erg. „Als mensen iets voor iemand anders kunnen betekenen, voelen ze zich nuttig. Het kan beide kanten op goed werken.” Ze koppelde een werkloze Marokkaanse en een Pakistaanse man aan een oudere dame. „Ze doen nu haar tuin en de boodschappen. Eerst vond ze het doodeng – twee moslims over de vloer. Nu kan ze ze wel zoenen. Ze is zo blij met hen!”

Maar zelf had die dame hen natuurlijk nooit gevraagd. Ze kende hen niet, ze was niet op het idee gekomen. Zwijnenburg: „Er moeten professionals zijn die dat regelen.” En die ook kijken of de zorg goed loopt. „Het zijn vrijwilligers, je kunt er niet blind op vertrouwen dat iedereen zijn afspraken nakomt, die steunkousen aantrekt of de boodschappen doet.”

Vind de zorgbehoeftigen maar eens

Welzijnsstichting DOCK heeft in Feijenoord zo’n tachtig vrijwilligers. Ze willen zich graag nuttig maken of ze moeten een tegenprestatie leveren voor hun uitkering.

Maar dan is het probleem: de mensen die de zorg nodig hebben, moeten wel eerst gevonden worden. En dat is, zolang ze geen overlast veroorzaken, lastig.

Feliz Islekter zoekt de zorgbehoeftigen. Zij is participatiemakelaar bij DOCK. Samen met de woningbouwvereniging Woonstad heeft ze het tuintjesproject bedacht. Mensen die hun tuin niet meer kunnen onderhouden, krijgen hulp van een vrijwilliger. Feliz Islekter komt de tuin eerst bekijken en kijkt dan meteen goed om zich heen: Hoe ziet het huis eruit? Komt de bewoner nog buiten?

Zo belt ze nu aan bij een vrouw van 78. Feliz Islekter gaat naast de porseleinen poppen op de bank zitten. Het huis ziet er schoon uit. De keuken ook. De buren halen haar boodschappen, vertelt de vrouw. „Ik heb zulke fijne buren.” Wel zou ze graag af en toe ergens heen gebracht worden en weer opgehaald. Feliz gaat kijken wat er te regelen valt.

De man slaapt ook in de leunstoel

In het volgende huis is het minder schoon. De vrouw die open doet is zwaarlijvig en hijgt. Ze heeft een chronische longziekte.

Binnen in het schemerdonker zit haar man in een leunstoel. Hij heeft alleen een overhemd aan en een onderbroek. Op een tafel staan tientallen potjes met medicijnen. Zijn voeten zijn donkerpaars. Hij heeft zware artrose en reuma. Hij is sinds oktober niet meer buiten geweest. Preciezer gezegd: hij is zijn leunstoel niet meer uit geweest. Feliz Islekter knippert niet met haar ogen. Hoe slaapt u dan? De man drukt op een knopje en de rugleuning van zijn stoel zakt naar achteren. „Ik slaap in mijn stoel.” Plassen doet hij in een bakje. Hij slijt zijn dagen met televisie kijken, lezen en met zijn vrouw praten. Zij werkt de ochtenden in een sociale werkplaats.

Misschien kunnen we hulp voor u regelen, zodat u een keer naar buiten kunt, oppert Feliz Islekter. „Nee hoor, wij redden het goed met z’n tweeën”, zegt de man. „Ik heb me erbij neergelegd dat ik niet meer op kan staan.” Islekter: „U kunt een gesprek hebben, misschien is het toch wat. Gewoon even eruit.” Haar ogen glijden langs de stofvlokken op de grond. „Of een beetje hulp met schoonmaken? „Nee hoor”, zegt de vrouw. „Onze dochter stofzuigt een keer in de week. Dat gaat prima.” Voor de tuin willen ze wel hulp. Gelukkig, zegt Islekter buiten. „Deze mensen hebben echt hulp nodig.”