Nolens volens

Wie was ik en ben ik? In een serie korte verhalen onderwerpt schrijver Nicolaas Matsier zich aan een zelfonderzoek.

Illustratie Cyprian Koscielniak
Illustratie Cyprian Koscielniak

De goede oude Romeinen, ik bewonder hen vaak, die hadden er een speciaal woord voor: de activiteit van het niet-willen. Of kan dat helemaal geen activiteit zijn? Hoe dan ook, zij kenden, naast een werkwoord voor willen (velle), er ook een voor niet-willen (nolle). Je zou je een complete taal voor kunnen stellen waarin elk ‘positief’ werkwoord (een handelen, een klinken, een zijn, een branden, een regenen) zijn ‘negatief’ heeft. Niet zozeer spreken versus zwijgen, of bloeien versus verdorren– nee: werkwoord versus werkeloosheidswoord.

Mij lijkt dat het Nederlandse duo nillens willens een vertaling één op één is, door een of andere renaissancegeest, van het Latijnse tweetal nolens volens. Wij hebben het dus, het werkwoord nillen, en ik ga er nu mee aan de gang. Wat zou ik zoal nillen? Er is steeds meer wat ik nil! Waarschijnlijk moet je eerst ouder en illusielozer worden om goed te kunnen gaan nillen. En om daar dan verder ook niet meer over in te zitten.

Hier volgt een lijstje van dingen of zaken of aangelegenheden of bekwaamheden waarvan ik vroeger gedacht heb dat ik ze mij nog wel een keer eigen zou kunnen maken – later. Ik stond al in de startblokken, maar het kwam er nog even niet van.

Ik heb willen kunnen schaatsen (en ook schaatsles genomen). Ik heb willen leren natscheren (want ik vond mezelf iemand bij wie het natscheren echt hoorde). Ik heb vloeiend Fries willen leren spreken. Ik heb vloeiend Italiaans willen leren spreken. Ik heb iemand willen worden die gedichten kon schrijven, en die het niet alleen kon, want dat is één ding, maar het ook echt deed. Ik heb het met een hoer willen doen. Ik heb iemand willen worden die piano kon spelen en die van blad kon zingen. Ik heb, met zeldzame overmoed, ik, die überhaupt niet dansen kan, gedacht met mijn vrouw de tango onder de knie te kunnen krijgen. Ik heb gedacht dat ik, als ik maar een geheim werkvertrek had, goed, zo niet moeiteloos, en ook heel veel zou kunnen schrijven. Ik heb gedacht een groot bomenkenner te kunnen worden. Ik heb gedacht dat ik de rest van mijn leven, en vroeger was dat het grootste deel nog, ik heb dus gedacht dat ik voortaan elke dag zeven kilometer door buurt en park zou joggen. Ik heb werkelijk gemeend dat ik op een dag in een skif zou kunnen roeien. Ik heb willen leren zweefvliegen.

Ik wil dat laatste trouwens nog steeds, maar op onbestemde wijze, als een zuiver willen dat geen enkel verband hoeft te onderhouden met kunnen of met tot daden overgaan. Men is, misschien, ook en vooral alles wat men wel eens gewild heeft maar nooit gekund, terwijl de tijd waarin het gekund had zoetjesaan voorbij mag heten. Het geeft kalmte, dit in te zien. Hoe ouder ik word, hoe meer ik nil.