Hij komt zijn leunstoel niet meer uit, maar wil geen hulp

In rijke wijken doen buurtbewoners meer samen dan in armere wijken, blijkt uit onderzoek dat vandaag wordt gepresenteerd. Terwijl de kwetsbaren hulp harder nodig hebben, ook al willen ze die soms niet. „Ik heb me erbij neergelegd dat ik niet meer op kan staan.”

Een zomeravond in de volkswijk Feijenoord-Hillesluis
Een zomeravond in de volkswijk Feijenoord-Hillesluis Foto’s Peter de Krom

Binnen in het schemerdonker zit een man in een leunstoel. Hij heeft alleen een overhemd aan en een onderbroek. Op tafel staan tientallen potjes met medicijnen. Zijn voeten zijn donkerpaars. Sinds oktober is hij niet meer buiten geweest. Preciezer gezegd: hij is zijn leunstoel niet meer uit geweest.

De vrouw van de man had opengedaan toen Filiz Islekter aanbelde. Ze is participatiemakelaar bij welzijnsstichting DOCK. Samen met woningbouwvereniging Woonstad heeft ze het tuintjesproject bedacht. Mensen die hun tuin niet meer kunnen onderhouden, krijgen hulp van een vrijwilliger. Filiz Islekter komt de tuin bekijken en kijkt dan meteen om zich heen: Hoe ziet het huis eruit? Komt de bewoner nog buiten?

Ze vraagt de man in de leunstoel: Hoe slaapt u dan? De man drukt op een knopje en de rugleuning van zijn stoel zakt naar achteren. „In mijn stoel.” Plassen doet hij in een bakje. Hij slijt zijn dagen met televisie kijken en lezen. Zijn vrouw werkt de ochtenden in een sociale werkplaats. Ze is zwaarlijvig en ademt zwaar. Ze heeft een chronische longziekte. De man lijdt aan zware artrose en reuma.

Uit onderzoek in verschillende Rotterdamse wijken van sociologen Godfried Engbersen en Erik Snel van de Erasmus Universiteit, dat vandaag wordt gepresenteerd, blijkt dat in arme wijken mensen minder samen doen en elkaar helpen dan in rijke wijken. Voorzieningen als buurthuizen, bibliotheken en dagbesteding voor kwetsbare mensen verdwijnen en burgers moeten dat (deels) zelf opvangen, stellen de onderzoekers.

‘Ze hebben geen idee’

Mensen die hulp nodig hebben, moeten dat nu zelf regelen, zegt Jenny Zwijnenburg van welzijnsstichting DOCK. En mensen in achterstandswijken kunnen dat vaak niet. „Ze hebben geen netwerk, ze hebben geen idee bij wie ze moeten aankloppen. Soms spreken ze onvoldoende Nederlands.”

DOCK heeft in Feijenoord zo’n tachtig vrijwilligers die zich inzetten in hun buurt. Ze willen zich nuttig maken of ze moeten een tegenprestatie leveren voor hun uitkering.

Maar niet iedereen wil hulp. „Misschien kunnen we regelen dat u een keer naar buiten kunt”, oppert Filiz Islekter bij de man in de leunstoel. „Nee hoor, wij redden het goed met z’n tweeën”, zegt de man. „Ik heb me erbij neergelegd dat ik niet meer op kan staan.” Islekter: „U kunt een gesprek hebben, misschien is het toch wat. Gewoon even eruit.” Haar ogen glijden langs de stofvlokken op de grond. „Of een beetje hulp met schoonmaken? „Nee hoor”, zegt de vrouw. „Onze dochter stofzuigt een keer in de week. Dat gaat prima.” Voor hun tuintje willen ze wel hulp. Gelukkig, zegt Islekter als ze buiten staat. „Deze mensen hebben echt hulp nodig.”

Even een ‘ploegie’ samenstellen

In welke wijk je ook komt, er zijn altijd óók actieve bewoners. Zoals Ellen de Ronde bijvoorbeeld. Als er in haar straat in Feijenoord-Hillesluis wat moet gebeuren, stelt zij even een ‘ploegie’ samen. Zoals laatst, toen ze voor de hele straat bloempotten had geregeld, samen met haar nicht Nettie Veenendaal die aan de overkant woont. Met een bijdrage van de woningbouwvereniging. De ene buurman haalde de aarde, een andere buurman haalde de planten op die Ellen de Ronde goedkoop had geregeld. En zelf zette ze er een bakkie koffie bij en zorgde voor een broodje. „We maken er iets gezelligs van.”

Ellen de Ronde en Nettie Veenendaal noemen dit ‘iets gezelligs doen’. De overheid zou het ‘participeren in de buurt’ noemen.

Dat niet meer automatisch alles voor iemand gedaan wordt, vindt Jenny Zwijnenburg helemaal niet erg. „Als mensen iets voor iemand anders kunnen betekenen, voelen ze zich nuttig. Het kan beide kanten op goed werken.” Ze koppelde een werkloze Marokkaanse en een Pakistaanse man aan een oudere dame. „Ze doen nu haar tuin en de boodschappen. Eerst vond ze het doodeng – twee moslims over de vloer. Nu kan ze ze wel zoenen. Ze is zo blij met hen!”

Maar zelf had die dame hen natuurlijk nooit gevraagd. Ze kende hen niet, ze was niet op het idee gekomen. Zwijnenburg: „Er moeten professionals zijn die dat regelen.” En die ook kijken of de zorg goed loopt. „Het zijn vrijwilligers, je kunt er niet blind op vertrouwen dat iedereen zijn afspraken nakomt, die steunkousen aantrekt of de boodschappen doet.”

Op haar ronde door de wijk belt Filiz Islekter aan bij een vrouw van 78 die haar tuin niet meer kan bijhouden. Ze heeft last van haar rug. „Als ik op mijn knieën onkruid ga wieden kom ik niet meer omhoog”, zegt ze. Islekter gaat naast de porseleinen poppen op de bank zitten. Het huis ziet er schoon uit. De buren halen haar boodschappen, vertelt de vrouw. „Ik heb zulke fijne buren.” Wel zou ze graag af en toe ergens heen gebracht worden en weer opgehaald. Feliz gaat kijken wat er te regelen valt.