Het land van Wolter Kroes

Waar de Gelderlander, de Brabander, de Limburger – de hele rest van het land eigenlijk – zich bij een eerste kennismaking wat terughoudend opstelt, valt de Noord-Hollander met de deur in huis.

Letterlijk.

Toen de vriendin en ik een keer op het huis van haar moeder in Wormer pasten, liepen er ’s avonds – zij sliep al – via de achterdeur mannen en vrouwen naar binnen om bijvoorbeeld een biertje uit de koelkast te pakken. Of om een gloeilamp te zoeken. Of om een oplader van een iPod te lenen.

Ik schrok van die onverwachte visites, vooral ook omdat die mensen er gewoon opeens waren en omdat de conversatie na een keihard ‘hoi’ verder stokte, maar volgens de vriendin was dat nergens voor nodig.

„O”, zei ze toen ik de vrouw beschreef die in haar pyjama voor eieren kwam, „dat is er een van Wolter.”

Wolter Kroes?, vroeg ik toen, want die woonde ook in Wormer, maar dat bleek gelukkig niet het geval. En dat ze niet zoveel zeiden, was volgens haar ook logisch.

„Zo zijn ze gewoon, ze kennen jou toch niet?”

Vorige week waren we daar weer. Voor de rust. Maar dat was buiten de bevolking gerekend. Tot diep in de nacht zat ik rechtop in bed vanwege een festival dat heel toepasselijk – Wormer is een lintdorp – ‘Door het lint’ heette. In een weiland dansten ze met z’n allen rond een enorm vuur dat vreemd genoeg door de burgemeester was aangestoken. Ik vroeg me af of we de deur niet op slot moesten doen.

„Ze hebben misschien dorst…”

Natuurlijk wist ik wel dat er buiten Amsterdam nog een stuk land was waar ook mensen wonen dat ze Noord-Holland noemen, maar daar had ik me nooit zo in verdiept. Dat had ik wel moeten doen, want de mensen zijn er bijzonder.

Keiharde werkers die ieder probleem de kop in drukken door nog harder te werken, desnoods in de tuin waar je ze soms letterlijk de kop in het zand zag steken, en die vinden dat iedereen keihard moet werken omdat ze zelf ook keihard werken.

Dat soort gesprekken had ik daar.

Wat me daar verder opviel, was dat veel Noord-Hollanders veel te groot zijn, dat ze lange voortanden hebben en dat ze geen schaamte kennen.

„Ik lust wel karnemelk!”, hoorde ik een man in wielrenpak op een terras in het dorp Spijkerboor tegen een serveerster roepen. Toen hij daarna opstond om de benen te strekken, dacht ik even dat hij het zelf ging pakken.

Dat was niet zo.