EU moet werken aan respect voor de natie

Wat wil de Britse regering in de aanloop van het referendum nu van de EU? De minister van Buitenlandse zaken Philip Hammond somt het op.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Over het hele continent hebben de anti-EU-partijen de afgelopen jaren enorme winst geboekt – bij lokale, nationale en Europese verkiezingen. We moeten daarom de EU democratischer maken en haar beter toerusten om de groei en werkgelegenheid te scheppen die de burgers verwachten.

Sinds de toetreding van het Verenigd Koninkrijk is de EU onherkenbaar veranderd. Na de val van het IJzeren Gordijn is de EU met 16 nieuwe lidstaten uitgebreid en is de euro gekomen. Inmiddels bepalen de EU-regels ons doen en laten over een breed terrein van milieu tot sociaal beleid. Buiten kijf staat dat het EU-lidmaatschap Groot-Brittannië op een aantal gebieden duidelijke voordelen heeft gebracht. Maar op andere gebieden is er nationale soevereiniteit verloren en zijn de bureaucratische lasten voor het bedrijfsleven verhoogd. Daardoor is de instemming met het lidmaatschap onder het Britse volk minimaal geworden.

Wat beoogt de Britse regering dan ook met deze onderhandelingen? Om het vertrouwen van het Britse volk in de EU te herstellen, moeten we samen met onze Europese partners tot een hervormingspakket komen waarmee de EU in de 21ste eeuw vooruit kan – hervormingen die niet alleen het Verenigd Koninkrijk, maar alle 28 lidstaten ten goede zullen komen.

In de eerste plaats is wat werkgelegenheid en groei betreft de ongemakkelijke waarheid dat het groeipercentage van de EU ver achterblijft bij dat wat nodig is om de werkloosheid tot een aanvaardbaar peil terug te brengen. De druk is niet alleen uit Azië, maar ook uit de VS afkomstig is. Als wij de Europese levensstandaard willen behouden, dan moeten we onze bedrijven in staat stellen efficiënter te concurreren op de wereldmarkt – door een versterking van onze interne markt, vooral in de sectoren dienstverlening, digitaal en energie. We moeten ons openstellen voor de wereldhandel en handelsakkoorden sluiten met de VS, Japan en andere ontwikkelde economieën, evenals met de snel groeiende economieën in Azië en Zuid-Amerika. En we hebben regelgeving nodig die het bedrijfsleven niet hindert, maar ondersteunt bij het scheppen van de benodigde groei en werkgelegenheid.

In de tweede plaats beogen wij hervormingen waardoor landen die verder willen integreren hierin vrij zijn, met inachtneming van de belangen van landen die dit niet willen. Dit geldt het duidelijkst voor de eurozone. Het Verenigd Koninkrijk is er niet op uit een verdere euro-integratie te beletten – integendeel – maar heeft wel behoefte aan garanties dat de belangen van de landen buiten de euro beschermd zullen worden. Deze opzet van een Europa op twee pijlers – met een welomschreven verhouding tussen de eurozone en de niet-eurozone, binnen een interne markt en met dezelfde instellingen – bouwt voort op het prikkelende bouwwerk van Schengen en de Bankenunie. Het is goed voor iedereen. Zo kan de integratie van de eurozone verdergaan, maar wel met oog voor de belangen van de niet-lidstaten van de eurozone. En wel in het besef dat de opzet van een almaar hechtere unie sommige lidstaten mag aanspreken, maar dat deze niet voor iedereen goed is.

In de derde plaats vinden wij dat de nationale parlementen meer te zeggen moeten hebben. Om de burger bij EU-besluiten te betrekken, maar ook om een juiste invulling te geven aan de subsidiariteitsgedachte – het idee dat besluiten zo dicht mogelijk moeten worden genomen bij de burgers die ze aangaan. Maar al te vaak heeft de EU macht uitgeoefend waar de besluitvorming ook op nationaal, regionaal of lokaal overheidsniveau had kunnen plaatsvinden, zonder iets af te doen aan de werking van de interne markt of het doeltreffend functioneren van de EU. Wij willen bijvoorbeeld de rol van de nationale parlementen versterken door ze in de toekomst in staat te stellen met een aantal gelijkgestemden regelgeving te blokkeren. De EU moet de bestuurslagen eerbiedigen die het dichtst bij de Europese burgers staan en hun de meeste verantwoording schuldig zijn. Wij zijn het eens met de Nederlandse regering: ‘Europa waar nodig, nationaal waar mogelijk.’

In de vierde plaats aanvaarden wij weliswaar het vrije verkeer van werknemers als een van de vier basisvrijheden van de EU en willen wij in deze onderhandelingen die vrijheid niet beknotten, maar wij willen wel het Britse sociale stelsel tegen misbruik beschermen. En de prikkels verminderen die hoogopgeleide werknemers naar het VK trekken om daar laaggeschoold werk te doen. Dit gaat ten koste van de economische groei in hun land van herkomst en ondermijnt het geloof in de eerlijkheid van het vrije verkeer in de landen van bestemming. We moeten ook de andere vrijheden ontwikkelen. Vooral het vrije verkeer van diensten en kapitaal, zodat niet alleen het vrije verkeer van personen tot de convergentie van de Europese levensstandaard bijdraagt.

Wij benaderen deze hervormingen met een positieve en betrokken instelling, we luisteren naar onze partners en we streven naar hervormingen die alle lidstaten in de 21ste eeuw ten goede zullen komen. We zullen een hervormingspakket overeenkomen en dan uiterlijk eind 2017 het Britse volk in een eenvoudig ‘erin of eruit’-referendum om zijn mening vragen.

De inzet is hoog: het VK is een grote, open economie met een lange geschiedenis. Het is een belangrijke speler op het wereldtoneel en het kan enorm tot het succes van Europa bijdragen. Als we de problemen kunnen oplossen die het Britse volk zoveel zorgen baren en de uitkomst van dit referendum is een ‘ja’, dan biedt dit uitsluitsel over de Britse plaats in Europa. En zal het VK een volledig betrokken rol kunnen spelen in een toekomstige EU die concurrerender en welvarender is en zich met meer zelfvertrouwen naar buiten richt. Met deze uitkomst zal het belang van de Europeanen aan weerszijden van het Kanaal echt het beste gediend zijn.