Opinie

De Wal-Martisering van de werknemer

Het Rijnlandse model, dat waren wij dus. In Michel Alberts boek Capitalisme contre Capitalisme werd in 1992 een distinctie gemaakt tussen dit model van overleg en gemengde economie en het Angelsaksische model van een vrije markt en ieder voor zich. De cocktail van het democratisch kapitalisme bleek per slot van rekening de Koude Oorlog te hebben gewonnen en nu ging het discours over de smaak.

Michel Alberts boek was destijds bijna even populair als Kapitalisme in de 21e eeuw van Thomas Piketty nu is. Frits Bolkestein, de VVD-leider van destijds, liep ermee weg. „We zullen een synthese van het Angelsaksische en het Rijnlandse model moeten vinden: een mid-atlantisch model, dat het goede van beide verenigt”, schreef hij in 1994.

De rest is, zoals dat heet, geschiedenis. We hebben onze cocktail van de ‘gemengde economie’ sindsdien aangepast. Maar er is een verschil tussen één deel wodka en drie delen jus, of andersom. De door de jaren na 1994 onderzochte mengvorm is even hybride als de oplossingen die werden aangedragen. Privatisering met behoud van (de illusie van) controle. Flexibilisering met behoud van zekerheid. Zakelijkheid met een sociaal gezicht. Het blijft, en niet alleen in de Fyra-enquête, zoeken naar de juiste balans.

Voorman Ton Heerts van de FNV gooide deze week de knuppel in het hoederhok door te pleiten voor afschaffing van de zelfstandigenaftrek. Die is voor veel zzp’ers cruciaal. Maar, zo zei Heerts, veel opdrachtgevers passen hun tarieven er op aan. Zij onderbetalen zzp’ers in de wetenschap dat de gemeenschap er via die aftrek voor zorgt dat ze toch nét genoeg overhouden.

Het doet denken aan de discussie over supermarktgigant Wal-Mart in de VS, vóór de invoering van Obamacare. Dat bedrijf, zo luidde de klacht, kon zijn werknemers onderbetalen in de wetenschap dat zij bij ziekte een beroep konden doen op de noodvoorziening Medicaid. Zo bestond er in wezen een impliciete overheidssubsidie op hun loon.

Heerts beledigde het contingent blije belasting betalende zelfstandigen. Maar er is ook een leger van mensen die eigenlijk geen andere keuze hebben (behalve de bijstand) dan zelfstandig te zijn. Zij zijn de Wal-Marters van Nederland: hun opdrachtgevers kunnen onderbetalen omdat de overheid een impliciete subsidie geeft op hun inkomen. En dat is nog los van het probleem dat er een groep ‘werknemers’ ontstaat die zonder vangnet werkloos of arbeidsongeschikt wordt en wiens oude dag een mager vooruitzicht biedt. Ook dát kost op termijn geld.

Heerts legt de vinger op de zere plek. Het antwoord op robotisering en globalisering is eigenlijk onbeholpen: we proberen mensen relatief rendabeler te maken dan een robot of een Indiër. Het alternatief is werkloosheid en bijstand, met alle maatschappelijke kosten die daar dan weer bij horen.

En zo zoeken we door. Het geldt ook voor de Flexwet van minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) die per 1 juli ingaat. Minder vastigheid voor mensen met een vaste baan, meer zekerheid voor mensen met een flexibele baan. Cao’s op de helling. Het wordt de vraag of de balans tussen zekerheid en onvrijwillige vrijheid te veel doorslaat naar het laatste.

De angst daarvoor verklaart waarom we, terwijl de inkomensverschillen hier niet of nauwelijks toenemen, toch geobsedeerd zijn door Piketty. Waarom we bang zijn voor een Victoriaanse economie, met vermogensverschillen als verklaring voor maatschappelijk succes en arbeiders die ’s ochtends moeten wachten bij de poort tot de voorman er vijftig van hen uitpikt. Wie in Nederland rondkijkt zou het niet zeggen. Maar noem het een maatschappelijk voorgevoel.