De Vincent van Gogh van de moderne poëzie

geeft een cursus voor de lezers van nrc.next over het lezen van gedichten. Vandaag: wie schreef de eerste moderne poëzie?

Illustratie Jenna Arts
Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Sommige dingen zeg je alleen als je genant dronken bent. Dan blaat je algemeenheden zoals dat de popmuziek niet had bestaan zonder The Beatles of dat de moderne kunst ondenkbaar is zonder Andy Warhol. Mijn vrienden bralden in ieder geval de ene na de andere gemeenplaats en deden, zoals iedereen onder invloed, alsof ze die zelf hadden bedacht. Plotseling draaiden ze zich allemaal naar mij om (zodat ik mijn mobiel, met wie ik ze al die tijd aan het filmen was, razendsnel moest verbergen) en vroegen in koor: „Heej, wie is eigenlijk de Vincent van Gogh van de poëzie?”

Wat een fantástische vraag, en dat van een groep aanstormende Korsakovpatiënten! Je afvragen wie de Vincent van Gogh van de moderne poëzie is, is hetzelfde als je af te vragen hoe het komt dat de hedendaagse dichtkunst eruitziet, zoals ze eruitziet. Dat vraagt om een stellig antwoord, dus laat ik eens doen alsof ik ook ladderzat ben en eens lekker kort door de bocht gaan.

Even ter opfrissing: de meeste moderne Nederlandse poëzie is geschreven in het vrije vers, wat wil zeggen dat er geen vast patroon is in hoe de regels zijn gerangschikt, zoals bij een sonnet wel het geval is. Tegenwoordig hoeft een gedicht, behalve rond vijf december misschien, ook echt niet meer te rijmen.

Wat inhoud betreft is er ook een groot verschil: tot in de negentiende eeuw was een Nederlands vers akelig vaak een leerdicht, waarin jongeren werd gezegd om met hun tengels van die pruimen af te blijven. De laatste vijftig à honderd jaar ligt de nadruk eerder op het spelen met de verschillende betekenissen van taal en het beschrijven van de innerlijke belevingswereld door middel van beelden uit de natuur, Bijbel en geschiedenis.

Maar wie was de eerste die dit soort moderne poëzie schreef? Wie is de Picasso of de Debussy van de moderne dichtkunst? Daar is, in al mijn fantoomdronkenschap, maar één correct antwoord op mogelijk: de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886). Wie? Blijf lezen!

Dickinson groeide op in een streng Puriteins milieu in Amherst, Massachusetts. Ze was een teruggetrokken vrouw die nooit zou trouwen en haar hele leven in hetzelfde huis woonde. Ze was diep religieus maar weigerde om op haar achttiende geloofsbelijdenis te doen. Ze vond dat ze door persoonlijke ervaring een betere band met God kon opbouwen dan door zich aan te sluiten bij een kerk. Nu klinkt dat niet echt rock-‘n-roll, maar rond 1848 was dat even rebels als dat je nu YOLO op je voorhoofd tatoeëert.

Haar dagen vulde ze met huishouden, tuinieren en het schrijven van gedichten. Zij schreef zinnen die in haar tijd de wereld op zijn kop zetten en met de jaren nauwelijks aan kracht hebben ingeboet, zoals: It would be lonelier / without the loneliness en this is my letter to the world / that never wrote to me. En kijk eens naar het wonderlijke vers hiernaast, dat ons lichaam beschrijft als een roze sjaal die om de geest is gewikkeld. Niks eindrijm, niks eductieve literatuur, hallo originele beelden!

In plaats van zich aan te sluiten bij de poëtische traditie, brak zij hiermee. Niet eens uit rebellie, maar omdat ze zich op geen andere wijze kon uiten. Ze gebruikte beelden uit de natuur en de Bijbel om dat wat zich in haar geest afspeelde, te kunnen onderzoeken en te beschrijven. Het leidde tot een totaal nieuwe blik, die menig negentiende-eeuwse lezer wakker schudde. Nederland, altijd iets trager in het volgen van internationale ontwikkelingen, ontdekte haar poëzie in de jaren dertig dankzij Simon Vestdijk, die in Forum haar werk onder de aandacht bracht en verdedigde. En terecht. Dickinsons poëzie lezen is een plons in ijskoud maar kraakhelder water. De wereld lijkt na afloop te zijn vernieuwd.

Dickinson schreef bijna achttienhonderd gedichten. Slechts zeven daarvan werden tijdens haar leven gepubliceerd. Dat hing samen met de breuk die haar poëzie veroorzaakte met de tot dan toe gangbare dichtkunst. Het was de meeste tijdschriften en uitgevers gewoon té gedurfd. Niet alleen qua onderwerpskeuze, maar ook hoe ze het opschreef. Men viel over haar eigenaardige, ogenschijnlijk willekeurige hoofdlettergebruik. Je zou haar op basis daarvan bijna aanzien voor een Duitser met dyslexie. Ook de interpunctie, de vele streepjes en puntjes, zorgden voor een vervreemdend effect, waardoor haar poëzie deels in morsecode lijkt te zijn opgeschreven. En, het meest blasfemische van alles: ze gebruikte geen rijm. Misschien wat halfrijm, meer niet.

„De Vincent van Gogh van de moderne poëzie was dus een teruggetrokken vrouw die leefde in de bossen van Massachusetts, die alle dichters die na haar kwamen enorm beïnvloedde. De hele Westerse poëzie is, direct of indirect, aan haar werk schatplichtig!!!” zei ik dus tegen mijn vrienden. Maar die waren op dat moment al lang niet meer bij bewustzijn. Misschien is stilte ook wel de beste respons, na het te hebben gehad over zo’n icoon als Dickinson. Daar lagen ze in hun slaap te kwijlen, gehuld in hun roze sjalen van aanstormende schaamte.