Bolhuis incasseert pijnlijke nederlaag na afschieten Spelen

Minister van Sport Edith Schippers is helder: geen topsportniveau, dus geen geld.

Of hij aanblijft als voorzitter van sportkoepel NOC*NSF? „Dat is helemaal niet aan de orde”, zegt André Bolhuis licht verongelijkt, terwijl de pijn van de opgeblazen Europese Spelen in zijn stem doorklinkt. Maar Bolhuis heeft wel iets uit te leggen, nadat onder zijn leiding eerst het Olympisch Plan 2028 en sinds gisteren ook het Europese Plan 2019 door de overheid van tafel is geveegd. Pijnlijk.

Bolhuis was de aanjager van het idee de Europese Spelen in 2019 – de eerste editie in de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe begint morgen – naar Nederland te halen. Daarvoor was hij benaderd door voorzitter Patrick Hickey van de Europese Olympische Comités (EOC). En daarvoor had hij zich bovenmatig ingespannen. Intern was bij NOC*NSF weliswaar afgesproken, dat Bolhuis’ lot niet aan een verkeerde afloop zou worden verbonden, maar de bittere realiteit is dat zijn geloofwaardigheid enigszins is aangetast.

Hoewel zijn motieven oprecht zijn, lijkt het dat Bolhuis zich te veel heeft laten leiden door emotie en loyaliteit aan Hickey. Het Ierse IOC-lid verleende hem (vergeefse) steun toen Bolhuis twee jaar terug de plaats van koning Willem-Alexander in het IOC poogde in te nemen. Een kongsi van de koning en het IOC-erelid Hein Verbruggen bracht evenwel voormalig minister Camiel Eurlings en niet Bolhuis op het olympische pluche.

De band met Hickey leverde Bolhuis een plek op in de EOC-coördinatiecommissie die de organisatie van ‘Bakoe 2015’ moest begeleiden. Bolhuis kon daardoor in de keuken van een multisportevenement kijken, raakte geïmponeerd en was uiteindelijk ontvankelijk toen Hickey hem vroeg de daaropvolgende Europese Spelen in Nederland te houden. De Ier had daar zijn redenen voor. Hij had in Kazan, Sotsji en Minsk eventuele kandidaten, maar wilde voorkomen dat de nieuwe continentale Spelen een Oost-Europees feestje zouden worden. Hickey zocht een West-Europese bondgenoot en vond die in Bolhuis, die overigens altijd heeft ontkend dat het idee hem is aangedragen. „Ik heb zelf bedacht dat die Spelen wel iets voor Nederland zouden zijn”, zei hij vorig jaar december in deze krant.

Hoe dan ook, Bolhuis heeft zijn volle gewicht achter een omvangrijk sportevenement gezet, waarvan binnen een half jaar het plan moest worden uitgewerkt. Kort voor kerst, na overleg met het EOC in Amsterdam, werd besloten tot kandidaatstelling. NOC*NSF kwam met een origineel lowbudgetplan, dat moet worden gezegd, maar de uitwerkingstijd was eenvoudigweg te kort. Het bid toonde te veel sporen van haastwerk.

Wederom bleek de overheid geen vanzelfsprekende partner. Nadat bij de kabinetsformatie op financiële gronden al een dikke streep door het Olympisch Plan 2028 was gezet, toonde sportminister Edith Schippers zich van meet af aan sceptisch over de Europese Spelen. Zij zette vraagtekens bij het topsportgehalte en vond de lasten met bijna de helft van het budget (125 miljoen euro) eenzijdig bij het rijk en de participerende provincies en steden liggen. Haar eindconclusie was gisteren: te weinig topsport voor te veel geld. Niet doen dus.

In een persbericht nam NOC*NSF de minister vervolgens flink de maat. De frustraties werden samengevat in ronkende woorden: „Een gebrek aan visie op grote sportevenementen.” Bolhuis was verstandiger en verpakte zijn teleurstelling in zachtere termen. „Het is moeilijk te begrijpen waar het is misgegaan. We werkten transparant en stelden partners tussendoor de vraag of we moesten doorgaan. Het anwoord was steeds: ja.”