Als de burger het zelf moet doen, blijven arme buurten achter

Welke effecten heeft het terugtrekken van de overheid op buurten? Burgerparticipatie werkt vooral in de rijke, witte buurt, aldus Godfried Engbersen en Erik Snel.

Geprivilegieerde sociale en economische posities leveren extra voordelen op. Het is een aloud mechanisme dat aanwijsbaar is in veel maatschappelijke sferen: beter opgeleiden hebben meer profijt van cultuur- en onderwijsbeleid, hoge inkomensgroepen ontvangen meer hypotheekaftrek door hun kostbare huizen, digitaal geletterden vergroten hun voorsprong op de elektronische snelweg, en miljonairs zien hun vermogen veel sneller stijgen dan dat van kleine spaarders. Dit mechanisme is ooit aangeduid als het Mattheüs-effect: ‘Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen’ (25:29). Of in alledaagse taal: armen worden armer en rijken worden rijker.

Dit mechanisme wint aan betekenis nu in de Nederlandse verzorgingsstaat meer verantwoordelijkheden worden doorgeschoven naar de burger. In diverse maatschappelijke sferen is sprake van substitutie: de overheid treedt terug en van de burger wordt verwacht dat hij of zij bepaalde taken overneemt. Dat zien we in de sfeer van welzijn en zorg, en nadrukkelijk ook in het buurtbeleid. Maar de vraag is of deze verschuiving van verantwoordelijkheden niet tot grotere ongelijkheden leidt. Treden dan oude mechanismen in werking waarbij kapitaalkrachtige groepen hun maatschappelijke voorsprong uitbouwen en arme groepen verder op achterstand raken?

Naar onze overtuiging tekent het Mattheüs-effect zich af in de Nederlandse grote steden. De context is bekend. Voorzieningen zoals buurthuizen, bibliotheken en dagbesteding voor kwetsbare burgers (ouderen, gehandicapten, dementerenden) worden gereduceerd, en er wordt een groter beroep gedaan op burgers en maatschappelijke instellingen. Ook in Rotterdam trekt de lokale overheid zich meer terug uit het sociale domein en vertrouwt op de ‘burgerkracht’ van haar inwoners via een ambitieus en fijnmazig buurtbeleid.

Ons onderzoek – gebaseerd op de Rotterdamse Sociale Index waarbij zo’n 15.000 Rotterdammers zijn betrokken – wijst uit dat in buurten met de meeste lage inkomens en met een hoge mate van etnische diversiteit burgerparticipatie significant minder voorkomt dan in de meer gegoede buurten van de stad. Dit geldt voor drie belangrijke vormen van burgerparticipatie: vrijwilligerswerk, buurtparticipatie en mantelzorg. In het rijke Kralingen wordt meer vrijwilligerswerk verricht, zijn bewoners actiever in de buurt en wordt meer aan mantelzorg gedaan dan in de arme wijken van Rotterdam-Zuid, zoals de Afrikaanderwijk, Bloemhof en Feyenoord. En juist deze arme wijken, die veel sociale problemen kennen, zijn gebaat bij succesvolle burgerinitiatieven.

Nadere analyses wijzen uit dat verschillen tussen buurten vooral samenhangen met individuele kenmerken van bewoners. Hogeropgeleiden participeren meer dan laagopgeleiden, autochtonen meer dan allochtonen, huizenbezitters meer dan huurders, mensen met veel contact in en binding met de buurt participeren meer dan mensen met weinig contact en weinig binding. Deze mensen wonen vaak in de rijkere buurten. Maar we zien ook dat burgers uit wijken met veel lage inkomens wel meer participeren dan je op grond van hun individuele profiel (veel laagopgeleiden, veel migranten, veel mensen die maar kort in de buurt wonen) zou verwachten. Er is nadrukkelijk sprake van burgerinitiatieven in arme wijken waarbij niet alleen de usual suspects zijn betrokken, maar ook jonge allochtone vrouwen en lager opgeleiden. En we zien ook dat er uitzonderingen zijn op de regel dat buurtinitiatieven in arme, diverse wijken achterblijven. Een bekend voorbeeld is de Rotterdamse wijk het Oude Westen, dat een rijke traditie kent van burgerparticipatie.

Wat betekent dit alles nu voor het stedelijk beleid in Rotterdam? Ten eerste moet het beleid zich bewust zijn van haar selectieve uitwerking. Voor welgestelde buurten maakt de huidige beleidsomslag weinig uit. Daar zijn voldoende burgers actief om voor de buurt te zorgen. Maar dat is anders in de meest kwetsbare buurten van de stad. Het is de moeite waard te rade te gaan bij de socioloog R.K. Merton die het begrip Mattheüs-effect heeft gemunt. Hij groeide op in een arme wijk in Philadelphia, en wist sociaal te stijgen dankzij de nabijheid van wat hij noemt publiek kapitaal, dat wil zeggen de aanwezigheid van goed toegankelijke publieke instellingen als een goede basisschool, een fraaie bibliotheek, een (muziek-)theater en andere lokale voorzieningen.

In de afgelopen jaren is sterk de nadruk komen te liggen op de betekenis van allerlei vormen van individueel kapitaal voor de toekomstkansen van burgers, zoals cultureel kapitaal (onderwijs), economisch kapitaal (inkomen, vermogen), sociaal kapitaal (netwerk) en persoonskapitaal (gezondheid en schoonheid). Maar om die kapitaalsoorten tot wasdom te laten komen is publiek kapitaal van grote betekenis. Dan hoeft het niet alleen te gaan om door de overheid gefinancierde voorzieningen, maar ook om burgerinitiatieven zoals de leeszaal in het Oude Westen waar huiswerkles wordt gegeven. Of initiatieven van mecenassen, bedrijven, religieuze instellingen of sportverenigingen. Cruciaal is dat het om laagdrempelige voorzieningen gaat waar bewoners kansen krijgen om zich te ontwikkelen. Soms vraagt dat om extra steun van de overheid en begeleiding door professionals en soms is dat helemaal niet nodig. Dat verschilt van buurt tot buurt zoals Rotterdam laat zien. Maar om groeiende ongelijkheden te voorkomen dient de aanwezigheid van voldoende publiek kapitaal in kwetsbare buurten een centraal aandachtspunt te zijn van het lokale sociale beleid.