Opinie

Verzonnen ‘waarheid’

Mag een journalist verzinnen? Een retorische vraag – tegenwoordig. Nee, dat mag hij niet. Zo’n journalist noemen wij een bedrieger, die op staande voet ontslagen zal worden als de beschuldiging gegrond blijkt.

Vroeger ging dat heel anders, blijkt uit een onlangs verschenen biografie over de befaamde Amerikaanse journalist Joseph Mitchell (1908-1996). Het boek is geschreven door Thomas Kunkel en heet Man in Profile: Joseph Mitchell of The New Yorker. Ik heb het nog niet gelezen, maar wel een opmerkelijke recensie erover, nog wel in diezelfde New Yorker, door Charles McGrath.

Op deze plaats heb ik vaker over Mitchell geschreven; een klein deel van zijn werk is ook in het Nederlands vertaald: het fraaie Het geheim van Joe Gould. Mitchell schreef bij voorkeur lange portretten van excentrieke mensen: variétéartiesten, zigeuners, zwervers. Joe Gould was zo’n zwerver. Hij beweerde dat hij aan een boek werkte over zijn ervaringen dat hem onsterfelijk zou maken. Mitchell geloofde hem, maar kwam later tot de ontdekking dat het boek alleen in de fantasie van Gould bestond.

Zijn stukken over Gould zijn een gaaf voorbeeld van de verhalende journalistiek die Mitchell bedreef. Aan het waarheidsgehalte heb ik nooit getwijfeld. Ten onrechte, blijkt uit het boek over Mitchell. De door hem beschreven individuen waren soms samengesteld uit méér personen. In 1948, bij een herdruk, heeft Mitchell dat al zelf toegegeven ten aanzien van de persoon Mr. Hugh G. Flood, een markante figuur uit de havens, die hij in drie reportages opvoert.

Nu staat vast dat Mitchell deze kunstgreep vaker heeft toegepast. Hij schreef bijvoorbeeld een bejubeld stuk over Schele Johnny Nikanov, ‘koning van de zigeuners’. Pas toen iemand een musical op Nikanov wilde baseren, gaf Mitchell toe: „Schele Johnny bestaat in werkelijkheid niet, en heeft nooit bestaan.”

Het was geen persoon geweest, maar een personage, gebaseerd op verschillende zigeuners. Ik heb het betreffende stuk herlezen in Mitchells verzamelbundel Up in the Old Hotel en sta nu paf van de feitelijke manier waarop hij Johnny introduceert. Johnny was „mijn vriend” geworden toen hij hem in 1936 als rechtbankverslaggever was tegengekomen. Ook Johnny’s vrouw en zijn vijf kinderen komen ter sprake: dochter Rosie verkocht hij voor 875 dollar aan een zigeuner uit Chicago.

Maar omdat Johnny nooit bestaan heeft, moeten ook die vrouw en kinderen verzonnen zijn, althans, ze zijn misschien óók ‘samengesteld’ uit allerlei andere zigeunerinnen en zigeunertjes.

Het wordt een wel erg onbetrouwbare knoeiboel als de journalistiek zó met de werkelijkheid omspringt, maar destijds was het niet ongebruikelijk, blijkt uit het boek over Mitchell. Het verzinnen en combineren was een geaccepteerde techniek, die zelfs door Harold Ross, de hoofdredacteur van de secure New Yorker, werd gestimuleerd. Ook met citaten werd zeer vrijelijk omgesprongen.

Mitchells biograaf verdedigt deze praktijken, er zou „een hogere waarheid” ontstaan dankzij zulke journalistiek. Het lijkt mij een overschatting. Er ontstaat in het beste geval iets dat meer op literatuur dan op journalistiek lijkt.

Wat achteraf vooral resteert, is onzekerheid bij de lezer. Ik heb Mitchell altijd graag gelezen, maar ik weet nu niet meer wat waar is en wat niet. Mitchell was een journalist die te graag schrijver wilde zijn.