Proost! Op de groei

We drinken al jaren minder bier, maar met Jopenbier gaat het juist heel goed . Net als met veel andere kleine brouwerijen, trouwens. Ze liften mee op de trends: ambachtelijk, authentiek, slowfood.

Michel Ordeman en Lydian Zoetman van Jopen. Foto Jopen
Michel Ordeman en Lydian Zoetman van Jopen. Foto Jopen

Bier in wording. Dat ruik je als je de Haarlemse Jopenkerk binnenstapt. In deze kerk geen relikwieën en serene rust, maar geroezemoes en mensen die aan lange houten tafels zitten te borrelen. Als je omhoog kijkt, zie je waar de gistgeur vandaan komt: voor de hoge glas-in-loodramen staan grote koperen brouwketels.

De bierconsumptie in Nederland loopt al jaren terug, maar het aantal kleine brouwerijen is sinds 2003 vervijfvoudigd. Zij liften mee op de trends: ambachtelijk, authentiek, slowfood. Regionale en kleinere producenten zijn in trek.

Jopen bestaat al twintig jaar en is inmiddels een van de grootste kleine brouwerijen in Nederland. De kracht van Jopen is de oude receptuur, zegt Constant Keinemans, voorzitter van het Klein Brouwerij Collectief, waarin honderden speciaalbierbrouwers zijn verenigd. In speciaalbier bestaan twee scholen, zegt hij: er zijn brouwers die voortborduren op traditionele Belgische speciaalbieren en er zijn brouwers die experimenteren, bijvoorbeeld met IPA’s: India Pale Ale. „Jopen is een mix van die twee stijlen. Er is veel aandacht voor het ambacht en ze werken met andere graansoorten dan veel andere brouwers, zoals haver en rogge. Daarmee onderscheiden ze zich.”

Pas sinds de opening van de Jopenkerk, in 2010, gaat het écht hard met de bierverkoop, zeggen Michel Ordeman (45) en zijn vriendin Lydian Zoetman (44). Ordeman is de grondlegger en algemeen directeur van Jopen. Hij houdt zich vooral bezig met ontwikkeling en productie. Zoetman heeft een paar jaar geleden haar baan als consultant opgezegd en is nu commercieel directeur van de brouwerij. In de praktijk betekent dit dat zij hem voortdurend opjut: méér produceren, schat, want er is meer vraag dan bier.

In de 1.500 vierkante meter grote opslagruimte van Jopen, op het Haarlemse industrieterrein Waarderpolder, staat op dit moment dan ook weinig voorraad. Negen landelijke supermarktketens, waaronder Albert Heijn, verkopen de speciaalbieren van Jopen, evenals de drankzaken Gall&Gall en Mitra. En er komen voortdurend nieuwe verzoeken binnen. „Laatst weer. Echt een grote partij. Maar ik kan het niet waarmaken”, zegt Zoetman spijtig. En dan monter: „Normaal zeiden ze dan: voor jou tien anderen. Maar nu wachten ze tot we wél kunnen leveren. Heel bijzonder.”

Gelukkig opent in juli een nieuw brouwhuis, zegt ze, waarmee de capaciteit flink omhoog gaat. „Dan wordt mijn werk weer een stuk leuker. Er is niets zo vervelend als ‘nee’ te moeten verkopen.”

Recept uit 1501

Jopen werd opgericht ter ere van het 750-jarig bestaan van Haarlem in 1995. Inwoners mochten destijds ideeën aandragen om het feestjaar kleur te geven. Een groepje opperde iets met bier te doen, aangezien Haarlem in een ver verleden een van de belangrijkste bierbrouwerssteden van Nederland was. De stad had zijn welvaart grotendeels aan bier te danken. De houten vaten van 112 liter waarin bier werd vervoerd, heetten jopen.

De inwoners, onder wie Michel Ordeman, toen begin twintig, verenigden zich in de Stichting Haarlems Biergenootschap. In hun zoektocht naar overblijfselen van de Haarlemse brouwcultuur stuitten zij op recepten uit 1407 en 1501, waarin het bier werd gemaakt met drie granen: haver, gerst en tarwe. Haver is een weinig gebruikt ingrediënt voor hedendaags bier.

Toen het bier, naar het recept uit 1501, eenmaal ontwikkeld was, zat de taak van het genootschap erop. Maar bij Ordeman kriebelde het. Hij had net voor zijn opleiding aan de Haarlemse Small Business School een afstudeerscriptie over cafébrouwerijen geschreven en daardoor een liefde voor speciaalbier ontwikkeld die zijn liefde voor whisky overtrof. Hij wilde verder met Jopen. Hij zocht investeerders, verzamelde twintig man – particulieren en hun vrienden – en ging aan de slag. Ieder jaar werd het lokale merk iets groter en verkocht het bedrijf iets meer bier. Voor de productie huurde Jopen capaciteit in bij andere brouwerijen, eerst in Nederland, later in België.

Ordeman wilde al snel een eigen pand, zegt hij. Maar het duurde tien jaar voor hij een geschikte plek – de Haarlemse kerk – had gevonden. Daarna duurde het nog vijf jaar voor alle vergunningen rond waren en bijna een jaar voor de renovatie klaar was.

In november 2010 opende de Jopenkerk, inclusief eigen brouwketels en een café/restaurant. Inmiddels waren er van de oorspronkelijke twintig aandeelhouders zeven over. Niet allemaal konden ze de investeringen voor het kostbare project opbrengen.

Met de Jopenkerk is de cirkel rond, zegt Ordeman. „Tot die tijd was het: leuk verhaal, maar jullie worden in België gebrouwen. Altijd die negatieve bijklank. De opening van de kerk betekende de thuiskomst van Jopen.”

Vanaf het moment dat Ordeman de kerk had gekocht, besloot zijn vriendin fulltime bij hem in het bedrijf te gaan werken. Ze spraken af de samenwerking na een jaar te evalueren. Zoetman: „Ik wilde niet mijn relatie op het spel zetten voor wat wij hier doen. Maar het gaat hartstikke goed.”

Ordeman en Zoetman werken vaak zeven dagen in de week. Ze zijn niet anders gewend, allebei komen ze uit ondernemersgezinnen. Ordeman is opgegroeid op de Veluwe. Zijn vader had een poeliersbedrijf en een vaste kraam op de markt, zijn moeder had een lunchroom. „Tussen de middag ging je in de lunchroom je boterham eten en als je klaar was, hielp je mee in de afwas. In de vakanties stond ik bij mijn vader op de markt.”

De ouders van Zoetman hadden in Enschede een dierenspeciaalzaak en dierenartsenpraktijk ineen. Hun ouders hadden dolgraag gewild dat hun kinderen hun bedrijven hadden overgenomen, maar Ordeman en Zoetman kozen hun eigen weg.

60.000 hectoliter

Intussen is Jopen een bierbrouwerij met ruim honderd man personeel. En de brouwsels uit Haarlem wonnen vorige jaar twaalf (internationale) prijzen. Dit zorgt ook voor internationale aandacht voor het Jopenbier.

Het wordt geëxporteerd naar een hele rij Europese landen, maar ook naar Rusland, Australië en de VS. Er lopen al gesprekken met afnemers in China en Estland. Het gaat maar om kleine orders, zegt Ordeman. „Maar ik heb liever een heleboel kleine afnemers, dan een paar grote. Als er dan één wegvalt, doet het écht veel pijn.”

Over omzet praten de eigenaren van Jopen niet. Over hectoliters wel. Over afzet, dus. En die groeit enorm. In 2010, het jaar dat de Jopenkerk openging, produceerde Jopen 4.000 hectoliter bier. In 2014 al meer dan 10.000. En dit jaar gaat de brouwer richting de 20.000 hectoliter. De ambitie is om naar 60.000 hectoliter te gaan en vermoedelijk is dat een kwestie van twee of drie jaar tijd. De ruimte is er.

Ook financieel. Onlangs is er een nieuwe, achtste aandeelhouder bijgekomen, die kapitaal beschikbaar stelt om sneller te groeien: Karmijn Kapitaal, dat onder meer eigenaar is van schoenen- en tassenbedrijf Fred de la Bretonière en lingeriebedrijf Marlies Dekkers, heeft een aandeel in Jopen gekocht. Geen meerderheidsbelang, beklemtonen de eigenaars.

Het is heel nadrukkelijk géén overname. „We zochten een financierende partij erbij, maar we zitten niet te wachten op een nieuwe directie. Wij blijven gewoon met zijn tweeën het management”, zegt Ordeman.

Hem wordt vaak gevraagd of hij zich niet voor een grote zak geld wil laten uitkopen, zegt hij lachend. „Ik moet er niet aan denken. Wat moet ik dan gaan doen? Ik vind 45 wat te jong om te stoppen. En bovendien: ik leef mijn droom.”