Overdrijven is toegestaan

Op het punt van genetica boekt ‘Jurassic World’ vooruitgang, maar het blijven Frankensteindino’s.

Anne Schulp is dolblij en een beetje geschrokken na het zien van Jurassic World. Blij omdat zijn favoriete oerreptiel tot leven is gebracht. En geschrokken omdat er zo veel aan het beest mankeert.

Anne Schulp werkt als dinopaleontoloog bij Naturalis in Leiden. Afgelopen zomer groef hij nog een Tyrannosaurus rex op in Montana. Maar het troetelreptiel van Schulp, dat is Mosasaurus. Schulp schreef in 2006 zijn proefschrift over dit zeemonster met grote kaken en vlijmscherpe tanden.

In Jurassic World speelt Mosasaurus een heerlijke monsterrol. Het beest mag in een veredelde dolfinariumshow naar haaien happen en pretparkpubliek natspetteren. En zodra de paniek uitbreekt, plonzen er natuurlijk mensen en dino’s in zijn gigantische bassin.

Geweldig spektakel, vindt ook Schulp. En toch kreunde hij toen het beest in beeld kwam. In de zon op een terras legt hij uit waarom. De gepukkelde en geribbelde huid is die van een krokodil, niet die van een gestroomlijnd zeeroofdier. En de tong in de opengesperde muil had gevorkt moeten zijn, zoals een slangen- of varanentong. „Maar deze Mosasaurus heeft gewoon een dikke worst in zijn bek.”

Bovendien is de filmmosasaurus wel erg groot. Bizar groot. Schulp rekent voor: „Als die witte haai zes meter is, moet de bek ook zes meter zijn. De totale lengte komt dan uit op vijftig à zestig meter.” Het langste Mosasaurusfossiel ooit gevonden meet ‘slechts’ 18 meter van snuit tot staart.

Paleontologie en Jurassic Park, dat moet ook een beetje schuren. De mediagenieke paleontoloog Jack Horner die het team van Jurassic World voorzag van wetenschappelijk advies, net zoals hij dat deed voor Jurassic Park in 1993, heeft keer op keer gezegd dat dit geen documentaire is, maar een actiefilm. Overdrijven is toegestaan als dat de dino enger en spannender maakt. Daarom zijn Velociraptors in de films manshoge moordmachines met schubben, en niet de gevederde bijtertjes die het in werkelijkheid waren.

De muggen zijn weg

Terwijl de dino’s in Jurassic World zijn blijven steken in de jaren negentig, is de genetica juist geloofwaardiger dan in het eerste deel. Weg zijn de ambermuggen met dinobloed, het dino-DNA komt ditmaal rechtstreeks uit dinobotten. Dat is helemaal in lijn met recente inzichten dat DNA niet bewaard blijft in amber, maar wel in beenderen, mits die op een koele plek bewaard zijn gebleven en niet ouder zijn dan een paar miljoen jaar.

Dat vervelende feitje wordt in de film met wat moleculaire prietpraat weggepoetst. Eiwitten en vrije radicalen in de beenderen zouden het dino-DNA tegen afbraak beschermen. Dat eiwitten en vrije radicalen DNA in werkelijkheid juist aan flarden scheuren, ach.

Ook zijn de genetici handiger geworden in het manipuleren van DNA. In de originele film werden de gaten in het dino-DNA opgevuld met het DNA van kikkers, maar in Jurassic World openbaart geneticus Henry Wu dat zijn team het DNA van de gekste dieren heeft gebruikt om dino’s te verbeteren. Die uitleg gaf Spielberg ook vrij spel om een fantasiedino te introduceren, een mengelmoes van de verschrikkelijke vleeseter T-rex en andere dino’s, een dino die gruwelijker en gevaarlijker is dan alle andere dino’s.

Een Frankensteindino. Tja, wat moet een bioloog daarvan denken?

Technisch kan het. Avontuurlijke genetici willen op dezelfde manier de mammoet terugbrengen. Neem het DNA van de olifant als chassis, monteer daar mammoetgenen in voor haargroei in en zie daar: een harige olifant. Of een pseudomammoet, zo je wilt. Het voorstel om op deze manier de mammoet tot leven te wekken is controversieel, maar er wordt serieus aan gewerkt.

Indominus rex is op dezelfde wijze in elkaar gesleuteld, al hebben de genetici van Wu er wel een potje van gemaakt. Zo gaven ze Indominus rex genen van een inktvis zodat het dier sneller zou groeien. Pas als het monster lang en breed is ontsnapt, blijkt dat de dino per ongeluk ook de camouflagegenen van de inktvis heeft gekregen. Oeps.

Klonen lijkt in Jurassic World in de vergetelheid geraakt, net als in de werkelijkheid. Twintig jaar geleden leek klonen nog de toekomst. In 1996 werd schaap Dolly geboren. Het zou niet lang meer duren, of we zouden onze favoriete huisdieren klonen. Sumatraanse neushoorn uitgestorven? Dan klonen we die toch!

Maar klonen bleef in de jaren daarna een gruwelijk inefficiënte en bewerkelijke techniek. Genetici hebben nog wel geprobeerd om een uitgestorven dier tot leven te wekken à la Jurassic Park. In 2003 werd met veel moeite een kloon van een uitgestorven berggeitje geboren. Het diertje stierf vrijwel meteen aan een longkwaal.

Briesen en stampen

Eerlijk is eerlijk. Genetisch getover en paleontologische missers zullen de dinofan een worst wezen zodra de dino’s weer briesen, grommen en stampen, met als hoogtepunt de getemde Velociraptors van stoere bink Owen Grady. Met hondenklikkertjes en voerkuikens weet Owen de wilde troep maar nét in het gareel te houden. Moet kunnen, vindt ook paleontoloog Anne Schulp. „Een valkenier heeft ten slotte ook een kleine raptor op zijn arm zitten.”

De dino’s die Jurassic World voor het eerst aan een miljoenenpubliek voorstelt krijgen hopelijk net zo’n iconische status als Velociraptor en T-rex uit het origineel. Neem de gepantserde Ankylosaurus (denk: tank op pootjes en een knots als staart). Ankylosaurus werd lang afgeschilderd als een brave slomerik die plat op de grond ging liggen bij gevaar, maar in Jurassic World is het de enige dino die echt haar mannetje staat tegen het geweld van Indominus.

Dat het volledig uit de hand zou lopen met deze verzonnen dino kon natuurlijk niet missen: Indominus rex. Een ontembare koning.