Opinie

Opzettelijk onscherp gemaakt verdriet

Herta Müller in ‘Het Alfabet van de Angst’.
Herta Müller in ‘Het Alfabet van de Angst’. 2DOC/VPRO

Het komt toch nog onverwachts, de eruptie aan het einde van de documentaire Het Alfabet van de Angst (2DOC/VPRO). Bijna een uur lang heeft schrijfster en dichteres Herta Müller haar ziel en die van haar in 2009 met een Nobelprijs onderscheiden werk aan ons blootgelegd. Dan wordt het verdriet te machtig en valt ze woedend uit naar regisseur John Albert Jansen. Weet hij wel wat al die vragen met haar doen: „U mag niet zo aan me trekken. Ik ben niet onbeschadigd.”

De verlossing zit weer eens in de vormgeving. Terwijl ze wegloopt, blijft de camera van Adri Schrover haar volgen, maar hij heeft het beeld onscherp gemaakt, als een daad van compassie.

Ook in eerdere films van Jansen, ontmoetingen met schrijvers als Wislawa Szymborska, Adonis en John Berger, vind je steeds die weldadige interactie tussen taal en beeld. Dat is precies wat in veel documentaire schrijversportretten ontbreekt: de vrijheid om te zoeken naar een radicale vorm die het werk, de persoon van de auteur, landschap en andere context weet te verbinden.

Het verhaal van Müller is ijzingwekkend. Ze werd in 1953 geboren als telg uit de Duitstalige minderheid in West- en Centraal-Roemenië, die ook de huidige president Klaus Iohannis voortbracht. In de 18de eeuw werden Zwaben en Luxemburgers door de Oostenrijkse keizer als kolonisten geworven, om de door de Turken verlaten gebieden te bevolken. Ze brachten er welvaart, maar onder het communisme waren ze verdacht, als feodale ondernemers. Müllers grootvader was een koopman, haar vader had bij de SS gediend, haar moeder had na 1945 vijf jaar in een Russisch werkkamp gezeten.

In haar romans beschrijft Müller de geïnternaliseerde angst. Ze werd door haar familie als ‘nestbevuiler’ gezien omdat ze ook hun collaboratie aan de kaak stelde, maar het meest had ze te vrezen van de Roemeense geheime politie. Tot na haar emigratie naar Berlijn (1987) bleef de Securitate haar bedreigen.

Ceausescu leeft nog, hij zit in ieders hoofd. Dat zeggen verschillende getuigen in de film. Onder hen is een gedistingeerde oudere muziekliefhebber. Hij blijkt voor de Securitate te hebben gewerkt.

Müller ‘schrijft’ nu poëzie, maar ook dat zou nog te direct zijn. Ze maakt collages van uit kranten en tijdschriften geknipte woorden, alsof het niet haar eigen woorden zijn. Die beschrijven de wisselbaden van „hondkoppig plomp en hagedisachtig zacht”, die het totalitarisme kenmerken. Alle dingen hadden in haar hoofd een „koning”, een veel adequater woord dan „dictator”.

Als in de school waar ze lesgaf het toiletpapier op was, dan werden er oude kranten opgehangen. Maar de leerkrachten dienden er nauwgezet op toe te zien, dat daar niet per ongeluk een foto van koning Ceausescu in stond, zoals bijna altijd het geval was.

Het Alfabet van de Angst is een gelaagde film die niet direct al zijn geheimen prijsgeeft: een ideale vorm voor in even exacte als geheimzinnige taal gesublimeerde verkniptheid.