Onze weermannen en -vrouwen zijn best wel goed (behalve Piet)

Elke week analyseert een expert een televisieprogramma binnen zijn of haar vakgebied. Deze keer kijkt meteoroloog Reinder Ronda naar weerberichten.

‘In Nederland kijk ik bijna nooit naar het weer op tv omdat ik het meestal toch al weet”, zegt meteoroloog Reinder Ronda. „Maar in het buitenland kijk ik graag. Dat zijn immers weercondities die ik niet ken. In berggebieden heb je altijd veel variatie. Dan verschilt het weer sterk van dal tot dal. Maar in woestijnen is het bijna altijd hetzelfde. Daar hoeft de weerman alleen maar op tv te komen als het een keer gaat regenen. Ik was een keer in Australië bij de berg Uluru. Daar was het ‘Weather forecast: always sunny’.”

We kijken op de bank bij meteoroloog Reinder Ronda in Ede naar verschillende weerpraatjes op televisie. Ronda legt nauwgezet van alles uit over hoge- en lagedrukgebieden, op de weerkaarten aangegeven met lijnen; isobaren die op het scherm zo fraai golvend over Europa spoelen. „Lucht stroomt van hoge naar lagedrukgebieden,maar omdat de aarde draait, volgt de lucht in feite de lijnen tussen die drukgebieden. Zo zie je dus hoe de wind gaat waaien.” We kijken naar Willemijn Hoebert van het NOS Journaal: „Kijk, zij laat met die kaart helder zien hoe de wind vanuit het noorden waait, eerst over de Noordzee, waardoor hij fris aanvoelt. Want het water in de Noordzee is nog koel in juni. Zo’n vijftien graden.”

Weervrouwen in korte broekjes

Ronda vindt wel dat Hoebert – een oud-student van zijn universiteit in Wageningen – wel wat veel informatie laat langskomen: „Je moet heel goed opletten om te zien wat er gebeurt op die kaarten. Ik ken ze toevallig, maar voor de leek is dat lastig.” Hoebert laat bovendien dit keer een kaart zien van alleen Nederland en omstreken. „In dit geval is dat voldoende omdat het een rustige situatie toont. Maar over het algemeen heb je een kaart van heel Europa nodig om te zien hoe het weer zich ontwikkelt; wat er op ons afkomt.”

Over vrijwel alle weermannen die we bekijken is Ronda wel te spreken: „Ze hebben allemaal kwaliteit.” Presenteren is een ander vak dan weerkunde. Toch kiezen vrijwel alle zenders voor universitair geschoolde meteorologen. Ronda: „Je ziet in het buitenland weleens van die weervrouwen in korte broekjes die zeg maar op ándere kwaliteiten zijn geselecteerd. Maar over het algemeen heeft het een meerwaarde als je iemand met gezag én enthousiasme over het weer laat praten. Bij de late journaals doet de nieuwslezer het vaak zelf, dan blijft er niets van hangen.”

Het weer voorspellen voor de komende drie dagen is volgens Ronda nog te doen. „Daarna komen er onzekerheden in. Ook mist is in veel gevallen moeilijk te voorspellen. Iemand die er verstand van heeft, kan die onzekerheden beter inschatten. Dat kan in subtiele maar essentiële bijzinnen.” We horen Gerrit Hiemstra bijvoorbeeld spreken over „mogelijk kans op onweer”.

Geschminkt als sneeuwpop

Als laatste bekijken we Piet Paulusma. Hij heeft een eigen programma op SBS 6, Piets weerbericht, waarin hij maar liefs vier minuten krijgt; veel langer dan zijn collega’s. Paulusma is de vreemde eend in de bijt. Hij is de enige autodidact onder de weermannen, hij kijkt niet in de camera en als enige presenteert hij op locatie; doorgaans een evenement in de provincie.

Ronda kan er niet enthousiast van worden: „Het is meer een reportage over dat evenement dan een weerpraatje.” Als Paulusma na een minuut praten over het openluchttheater waar hij is, eindelijk aan zijn weersvoorspelling begint, krijgen we ter illustratie dertig seconden beelden van de Friese kindermusical in kwestie. Ronda: „Wat hij zegt, blijft niet hangen. Ik leer hier weinig van.” Tot zijn verdriet laat Paulusma nauwelijks weerkaarten zien.

Toch is Paulusma een populaire weerman. „Blijkbaar is dit een vorm die aanspreekt. Hij presenteert zich niet als autoriteit. Hij staat tussen de mensen. Letterlijk zelfs: hij staat daar altijd omringd door mensen.” Dit keer zit er bijvoorbeeld naast Paulusma een bleek geschminkt kind dat een sneeuwpop voorstelt.

Als altijd krijgt Piets publiek het laatste woord: „Oant moarn.”