Nu graag een uitvoerbaar pgb

Het was ooit toenmalig minister Jan de Koning (Sociale zaken en Werkgelegenheid, CDA) die in de Nederlandse politiek het begrip „de vloek van de goede daad” introduceerde. Hij refereerde hiermee aan met goede intenties in het leven geroepen overheidsvoorzieningen, die de neiging hadden uit te groeien tot een onaantastbaar recht voor iedereen.

Het afgelopen tijd in de politiek zo veelbesproken persoonsgebonden budget (pgb) lijkt hiervan een goed voorbeeld. De regeling werd in 1996 ingevoerd met cliëntgerichtheid en decentralisatie als leidende gedachten. Het draagvlak in de politiek was groot. Er diende vanuit de gebruiker te worden geredeneerd; niet vanuit de verstrekker.

De vloek volgde al snel op de goede daad. Binnen enkele jaren groeide het persoonsgebonden budget uit tot een voorziening met ongebreidelde mogelijkheden. Het was een schoolvoorbeeld van aanbod dat vraag schept. Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau toonde aan dat het pgb – met als kenmerk een op de persoon afgestemde zelf te besteden som geld – had geleid tot een nieuwe doelgroep die zich nooit aan de loketten zou hebben gemeld als slechts een dienst in natura was aangeboden. ‘Zorgondernemers’ hadden een nieuw gat in de markt ontdekt. Met als gevolg bijvoorbeeld brommerwerkplaatsen voor jongens en meisjes met gedragsproblemen.

De afgelopen maanden waren de letters pgb in de politiek synoniem voor chaos rond uitvoering. En het was niet de regeling die ter discussie stond, maar de verantwoordelijke staatssecretaris Martin van Rijn (Zorg, PvdA). Hem werd aangerekend dat de overdracht van de uitvoering van het persoonsgebonden budget naar gemeenten en Sociale Verzekeringsbank per 1 januari van dit jaar niet goed was verlopen. Zo hoort dat ook in het systeem van ministeriële verantwoordelijkheid.

Maar wel zijn vraagtekens te plaatsen bij de mate van kritiek. Oppositiepartijen hadden de neiging elk incident – en incidenten zijn er nu eenmaal bij complexe uitvoeringsregelingen – tot een fundamentele misstand te verheffen. De vervolgstap in de politiek is dan het ter discussie stellen van de positie van de verantwoordelijk staatssecretaris. Maar van meet af aan was duidelijk dat Van Rijn kon rekenen op steun van de coalitie en dus van een meerderheid.

Zelfs meer dan dat. Een motie van wantrouwen kreeg afgelopen week ook geen steun van D66, ChristenUnie en SGP. De staatssecretaris kan blijven. Terecht. In het debat bood hij verontschuldigingen aan voor de chaos rond de uitbetaling. Aan hem nu de taak zorg te dragen voor een uitvoerbare regeling.