Je houdt jezelf voor de gek, met je gerecyclede papier

Waarom zou je je slecht voelen over jouw bijdrage aan klimaatverandering? Oliver Burkeman legt uit hoe we ons slechte gedrag goedpraten en zo alles erger maken.

Illustratie Jenna Arts
Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Op de top in Beieren, begin deze week, besloten de leidende industrielanden van de G7 voor het eind van deze eeuw geen fossiele brandstoffen meer te gebruiken. Nu kunnen we hier gemakkelijk cynisch over doen, maar zulke officiële doelstellingen tellen wel degelijk. En een van de belangrijke redenen is deze: bij gebrek aan internationale actie zijn wij als individuele burgers hopeloos slecht toegerust om dit vraagstuk aan te pakken.

Sterker nog, als een stel boosaardige psychologen op een geheime onderzeese basis bij elkaar was gekomen om een crisis te bedenken waarbij de mensheid vrijwel machteloos zou staan, dan hadden ze niets beters dan de klimaatverandering kunnen verzinnen. Wij reageren nu eenmaal beter op rechtstreekse, concrete bedreigingen, dan op iets afstandelijks en abstracts. We zijn gevoeliger voor doelbewuste bedreigingen door specifieke mensen dan voor iets onbedoelds als gevolg van collectieve actie. We zijn slecht in het brengen van kleine offers in het heden om grote offers in de toekomst te voorkomen. Onze aandacht gaat uit naar verschijnselen die dagelijks veranderen en niet naar iets wat zich geleidelijk in de loop der jaren voltrekt.

En als het al eens tot ons doordringt dat ons gedrag niet strookt met onze overtuigingen – dat we niet ons steentje bijdragen om onze aarde te redden, ook al zien we dat wel als onze plicht – dan nog vinden we het veel gemakkelijker om die overtuiging aan te passen (door het belang van de klimaatverandering te bagatelliseren) dan om ons gedrag te veranderen (door minder te vliegen of minder kinderen te krijgen).

In een opmerkelijk sombere passage in zijn laatste boek, Don’t Even Think About It, interviewt klimaatactivist George Marshall psycholoog Daniel Kahneman, Nobelprijswinnaar en grondlegger van de gedragseconomie. Hij probeert hem tot de uitspraak te bewegen dat ons begrip van de beperkingen van onze hersenen het in elk geval gemakkelijker zal maken om deze te overwinnen. „Ik ben daar niet zo optimistisch over”, antwoordt Kahneman, waarbij hij moedeloos een hapje tomatensoep neemt. „Geen enkel psychisch besef kan op tegen de weerstand om onze levensstandaard te verlagen. Daarom zeg ik al met al: er is niet veel hoop. Ik ben verregaand pessimistisch. Het spijt me.”

Het pessimisme van de deskundigen is een reden te meer om de aandacht op iets anders dan de klimaatverandering te richten: waarom zouden we ons permanent somber willen voelen?

Ook is er – om met wetenschapper en filmer Randy Olson te spreken – het probleem van ‘het grote onbespreekbare’, namelijk dat klimaatverandering ongelooflijk saai is. „Probeer maar eens een belangrijk programma te vinden dat zich verdiept in de houding van het publiek tegenover het klimaat”, zei hij tegen The New York Times, „en dat durft te zeggen waar het op staat... dat het misschien wel het saaiste onderwerp is dat de wetenschap aan het publiek heeft moeten voorschotelen.”

Ik vind het klimaat ook oninteressant

Ik schaam me om toe te geven dat ik dit ook vind, alsof ik door iets oninteressant te noemen ook zou zeggen dat het onbelangrijk is. Maar het tegendeel is waar: de belangrijkste problemen zijn vaak het minst interessant, omdat ze betrekking hebben op de trage werking van complexe onpersoonlijke systemen en niet op de verhalen van de individuele mens.

Maar ook als we inzien dat mensen in het algemeen slecht reageren op een bedreiging als klimaatverandering, is er nog een ander obstakel: het is nog moeilijker te accepteren dat we zelf ook gevoelig zijn voor zulke psychologische valkuilen. We hebben last van de bias blind spot: de blinde vlek die mensen hebben voor hun eigen vooroordelen en wensdenken. Wie zelf erkent dat het klimaat verandert, kan uit zijn luie stoel gemakkelijk een psychoanalyse van de ontkenners maken: ze blijven steken in hun ontkenning en verdedigingsmechanismen, zijn in de weer met online gemeenschappen van gelijkgestemden om zich te beschermen tegen hun schuldgevoel of de noodzaak persoonlijke offers te aanvaarden, of om stil te staan bij hun sterfelijkheid.

Het is veel moeilijker te aanvaarden dat je zelf misschien ook wel een klimaatveranderingsontkenner bent. Maar de drang om het ongemakkelijke gevoel af te schudden dat je bekruipt als je niet handelt naar je overtuiging, is uitermate krachtig.

Als mensen kinderen krijgen bijvoorbeeld, lijken ze de klimaatverandering minder serieus te nemen, volgens klimaatactivist Marshall. Je zou denken dat het ouderschap meer aandacht voor het welzijn van toekomstige generaties zou oproepen – maar blijkbaar wint het verlangen om je niet schuldig te voelen over de milieugevolgen die jouw voortplanting heeft.

Even verraderlijk is ‘moral licensing’, waarbij we goedpraten wat we verkeerd doen door ook iets goeds te doen: de goede daad geeft een zelfingenomen innerlijke gloed die de verkeerde daad rechtvaardigt – ook als de schadelijke gevolgen van het verkeerde veel zwaarder wegen dan de voordelen van het goede. Als je zo’n goed gevoel krijgt van het recyclen van papier dat je jaarlijks een extra langeafstandsvlucht maakt, heeft je inzet voor het milieu alles alleen maar erger gemaakt.

Als journalist is het verontrustend om te bedenken hoeveel journalistiek over klimaatverandering een ‘moral licensing’-effect op de betrokken journalisten heeft: geeft het schrijven van dit stuk mij het gevoel dat ik mijn steentje heb bijgedragen?

Vertel het verhaal eens anders

Marshall doet een manmoedige poging om zijn boek opgewekt te eindigen. We moeten het verhaal veranderen, legt hij uit, en de crisis formuleren als iets wat hier en nu gebeurt, niet in de toekomst, als iets wat de mens overkomt, niet de ijsbeer. Hij stelt dat we lering moeten trekken uit de Amerikaanse godsdienst, die een verbinding weet te maken met de eerbied die miljoenen mensen voelen voor bepaalde ‘heilige waarden’. Klimaatactivisten moeten zich zowel van deze termen bedienen als van de taal van rationele afwegingen en doemscenario’s. En we moeten even streng onze eigen veronderstellingen en neiging tot vooringenomenheid ter discussie stellen als die van anderen.

Persoonlijk neig ik naar het pessimisme van Kahneman. Hoewel je dan moet erkennen dat pessimisme zijn egoïstische voordelen heeft: als er niets aan te doen is, hoef ik ook geen moeite te doen. Wanhoop kan ook een soort ontkenning zijn.