In Waterland wordt mevrouw Jansen minder snel opgenomen

In het zorggebruik door ouderen en chronisch zieken zitten grote verschillen per regio. Dat bleek gisteren uit een nieuw rapport.

Er zijn grote regionale verschillen in het gebruik van zorg door chronisch zieken en ouderen, schreef de Algemene Rekenkamer gisteravond in een rapport. De langdurige zorg, die is versplinterd.

Neem meneer Van Vliet (80) in gedachten. Hij vereenzaamt na het overlijden van zijn vrouw en krijgt thuis begeleiding om zijn leven weer op te pakken. Of mevrouw Jansen (79). Ernstig dementerend, met een kwetsbaar gestel – ze woont in een instelling. De realiteit die de Rekenkamer schetst: een meneer van Vliet of mevrouw Jansen is in de ene Nederlandse regio heel anders af dan in de andere.

Woont meneer Van Vliet in Zeeland, dan is de kans dat hij thuiszorg krijgt veel kleiner dan een meneer Van Vliet net ten oosten van Utrecht. En dames als mevrouw Jansen worden in Noord-Limburg eerder opgenomen in een instelling dan in Waterland. Want daar in Waterland, in de buurt van Amsterdam, worden ruim 15 procent minder langdurig zieken opgenomen in een instelling dan je zou verwachten op basis van de bevolkingssamenstelling.

Het blijft gissen naar het waarom

Wat is de reden voor de grote regionale verschillen? De Rekenkamer hoopte daar met het onderzoek antwoorden op te geven. Het is gebleven bij een aanzet daartoe. De grote verschillen zijn met hulp van het CBS gedetailleerd in kaart gebracht, maar naar het waarom blijft het gissen.

Dat komt doordat niet alle verschillen „op kwantitatieve wijze” te verklaren zijn, schrijft de Rekenkamer. Over potentieel belangrijke factoren, zoals mantelzorg, leefstijl (bijvoorbeeld roken) en de kwaliteit van het zorgaanbod, blijken onvoldoende gegevens te zijn voor analyses. Wat wel redenen kunnen zijn voor de regionale verschillen in zorggebruik: leeftijd, gezondheidstoestand en inkomen.

Met die uitkomsten stelt de Rekenkamer het kabinet teleur. Want zaken als leeftijd en inkomen - die zijn lastig te sturen door een overheid. En dat is juist wat het kabinet wilde bereiken met dit rapport. Want als we weten waarom er zulke grote verschillen zijn, dan zou overbodige zorg in sommige regio’s kunnen worden weggesneden. Een gedachte die het kabinet ook als rekensom in de begroting opnam. Voor 2017 was een structurele bezuiniging begroot van jaarlijks 500 miljoen euro op de zorg voor chronisch zieken en ouderen. Die zou vooral gehaald moeten worden door regionale verschillen te verkleinen. Die begrootte besparing is onderdeel van drie grote stelselwijzigingen in de zorg. Die hadden in totaal een besparing van 3,5 miljard euro per jaar moeten opleveren. Langdurige zorg kost jaarlijks zo’n 28 miljard euro.

Maar hoe kun je regionale verschillen verminderen en daar vast een bezuiniging aan plakken, zonder dat duidelijk is wat de reden is voor die verschillen?

Het maakt dat de Rekenkamer kritisch is over de plannen van het kabinet voor een structurele bezuiniging. De Rekenkamer noemt de bezuiniging van een half miljard „onvoldoende onderbouwd” en vindt het doorvoeren ervan „onzeker”.

Het ministerie is het niet eens met de lezing van de Rekenkamer. Staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid, PvdA) vindt dat hij kan besparen door naar „doelmatigheid van het zorgaanbod” te kijken. Een woordvoerder: „De Rekenkamer doet nu alsof wij die besparing alleen maar willen bereiken door naar de zorgvraag te kijken. Dat klopt niet.”

Van Rijn gaat daarmee voorbij aan de boodschap uit het onderzoek dat zijn onderbouwing niet deugt, vindt de Rekenkamer. „De focus van het onderzoek was kijken of we gegevens konden vinden waaruit blijkt of de doelstelling van het kabinet onderbouwd is. De kern van de bevindingen is: we hebben te weinig onderzoeksmateriaal wat dat zeker maakt.”