Europese bedrijven steeds somberder over China

Europese bedrijven merken weinig van hervormingen in China’s economie en bestuur. Dat voedt hun pessimisme.

Makers van luxegoederen klagen niet over de Chinese markt.
Makers van luxegoederen klagen niet over de Chinese markt. Foto Wang Zhao / AFP

Europese bedrijven in China zijn steeds pessimistischer over de groeikansen in de tweede economie van de wereld. De snel opgekomen somberheid houdt nauw verband met de afzwakking van de Chinese groei, met de overcapaciteit in de meeste sectoren, maar ook – en dat is nieuw – met het uitblijven van twee jaar toegezegde economische en juridische hervormingen.

„Zagen Europese ondernemers tot een paar jaar geleden het glas half vol, dan zien zij nu vooral een half leeg glas dat steeds leger wordt. De stemming over ‘het nieuwe Chinese normaal’ is nog nooit zo pessimistisch geweest”, aldus de EU Kamer van Koophandel in een vanochtend gepresenteerd onderzoek onder ruim 1.700 Europese ondernemingen, variërend van gevestigde multinationals tot start-ups.

Aangezien China nog steeds de grootste groeimarkt ter wereld is – en er op deze schaal geen alternatieven zijn – blijven de meeste bedrijven in China, maar hun winstgevendheid daalt snel. Meer dan de helft meldt dalende omzetten.

Loonkosten

Grote bedrijven vangen dat op door nieuwe investeringen en uitbreidingsplannen uit te stellen en door diep te snijden in personeelskosten. „Er is geen tweede China, anders zouden bedrijven vertrekken”, aldus het EU-onderzoek, waarin Europese bedrijven stevig klagen over de gestegen loonkosten.

Feit is dat in de afgelopen vijf jaar de lonen in alle sectoren van de Chinese economie jaarlijks met 15 procent zijn gestegen. In de opkomende sectoren als it en e-commerce zelfs met 30 procent per jaar. Maar slechts 6 procent van de ondervraagde bedrijven overweegt te vertrekken naar landen met lagere lonen.

In hun pessimisme overtreffen gevestigde ondernemingen, de veteranen, de pas begonnen bedrijven en varieert de somberheid per sector. Automakers, vooral Duitse en Franse, zijn onverminderd optimistisch, hoewel de concurrentie van binnenlandse merken en Japanse en Amerikaanse concerns scherper wordt. Ook de autolakfabrikanten en toeleveranciers gaan opgewekt naar hun werk. Dat geldt ook voor de makers van Europese luxegoederen, zoals mode en dranken, en van medische apparatuur, een fort van het Nederlandse Philips.

Maar in andere delen van de maakindustrie en de chemie overheerst somberheid, vooral in de sectoren bouw, transport en infrastructuur. Sommige ondernemingen, zoals de divisie bedrijfswagens en bouwkranen van Volvo, hebben al drie jaar geen orders geboekt. Het aantal Europese bedrijven dat China nog ziet als de belangrijkste markt voor investeringen daalde van 70 naar 61 procent in 2012.

Zakelijke dienstverlening

Grote uitzondering in dit opzicht zijn advocatenkantoren die China juist zien als de toplocatie voor investeringen. Dat is ook te merken aan de groei van het aantal Europese juridische firma’s in Beijing en Shanghai. Dat heeft alles te maken met de complexe regelgeving in China die zich kenmerkt door ondoorzichtige wetten en bureaucratie. Chinese voornemens om daar wat tegen te doen, zetten volgens de meeste Europese bedrijven nog weinig zoden aan de dijk. „Van het toegezegde gelijke speelveld is nog lang geen sprake”, aldus het onderzoek.

Dat de klachten over diefstal van intellectueel eigendom niet af- maar toenemen ligt in het verlengde van de klachten over discriminatie van buitenlandse bedrijven. De Chinese autoriteiten spannen zich op papier in om het stelen van bedrijfsinformatie en het kopiëren van producten tegen te gaan, maar in beide praktijken komen nog steeds op grote schaal voor. Dat belemmert, volgend het onderzoek, verdere innovatie.

Slechts eenvierde van de Europese bedrijven doet daarom aan onderzoek en ontwikkeling in China. En de bedrijven die dat doen, zoals het Nederlandse Philips, doen dat om voor de lokale markt bestemde producten te ontwikkelen.