De robots komen

Zullen robots ooit de denkkracht van de mens overtreffen? Kunnen superslimme computers straks hun eigen gang gaan? Over dit soort vragen maakt NRC-columnist Bas Heijne de tv-serie De Volmaakte Mens. Vanavond bij VPRO/HUMAN op NPO2 om 23.00 uur het laatste deel. ‘Mens versus machine’. Hier alvast zijn conclusie en: de praktijk van vandaag.

Illustratie Levi Jacons
Illustratie Levi Jacons

Een robot in gewetensnood!? In De Volmaakte Mens zie je er vanavond eentje. Het is een klein wit mechanisch ventje, dat geprogrammeerd is om stapels gekleurde blikjes omver te trappen – alleen van de stapel rode blikjes moet hij afblijven. Wanneer een meisje hem opdraagt toch de rode blikjes omver te trappen, raakt hij zichtbaar in vertwijfeling; dit bevel kan hij niet opvolgen! Vertwijfeld zijgt hij ineen en begraaft zijn hoofd in zijn handen. Het is een vreemd aandoenlijk gezicht.

Het meest verbaast me nog mijn eigen emotie – ik weet dat het om een machine gaat, chips, sensoren, draden en plastic. Zo voelt het niet. Zou ik in staat zijn het verdrietige mannetje zelf omver te trappen? Nee. Te veel mens geworden.

De robots komen – er is geen medium dat er geen aandacht aan besteedt. Kunstmatige intelligentie gaat steeds grotere sprongen maken, zo wordt van alle kanten voorspeld – en wat betekent dat voor de mens en de samenleving? Welke beroepen zullen straks alleen nog door namaakmensen worden beoefend? Zelfs al zullen we geen massale werkeloosheid krijgen, dan nog is het zeker dat robots onze wereld volledig op z’n kop gaan zetten.

Maar robots zijn niet het gevaar, zegt zowel de Zweedse filosoof Nick Bostrom als de flamboyante Engelse wetenschapper Susan Blackmore, beiden te zien in De Volmaakte Mens. Juist omdat robots zo leuk op mensen lijken en we geneigd zijn ze allemaal menselijke eigenschappen toe te dichten, ontgaat ons wat er echt aan de hand is. Dat is de schuld van sciencefiction, zei Bostrom tegen mij. Dat genre in boek en film is weliswaar een uitstekende manier om de toekomst te verkennen, maar ziet die altijd in dramatische, menselijke termen – robots die onverwacht in opstand komen tegen de mens, een monster van Frankenstein dat opstaat tegen zijn eigen schepper.

Maar, zegt Bostrom, zo gaat de toekomst er helemaal niet uitzien. Het gevaar van intelligente systemen die zo knap zijn dat ze zelf weer intelligente systemen kunnen maken, zit er niet in dat ze mensen gaan overtreffen in menselijkheid.

Kunstmatige intelligentie in de toekomst kan heel goed een logica ontwikkelen die voor mensen volledig onbegrijpelijk is – en een houding jegens de mens aannemen die eerder gevaarlijk onverschillig is, in plaats van de opstandigheid die we uit de sciencefiction kennen. Dát is de grote uitdaging voor de toekomst.

Dat ineengedoken witte mannetje zijn we dus gemakkelijk de baas. We gaan hem steeds vaker ontmoeten, als zorghulp, mecanicien, bewaker, chirurg. Het is het soort technologie dat we in de hand kunnen houden, denk ik. Geen angst voor de robot.

Maar Bostrom ziet vormen van intelligentie die zich niets meer van mensen aantrekken, tenzij we er nu al wat aan gaan doen. Blackmore is vrolijk pessimistisch: de mens zal volgens haar steeds meer horig worden aan intelligente systemen, die hij hoogstens zo nu en dan een duwtje kan geven, maar die hij als geheel niet langer kan beheersen – zoals we nu het internet al niet meer kunnen beheersen.

Waar onheilsprofeten zijn, volgen snel de schamperaars. Omdat robots nu nog behoorlijk primitief zijn, zal het zo’n vaart niet lopen, toch? Bovendien, we kunnen ze toch uitzetten? Dit soort kritische kanttekeningen (overigens vrij gemakkelijk door Bostrom weerlegd) zijn nodig om de discussie nuchter te houden – maar te vaak klinken ze zelfgenoegzaam, als een excuus voor wegkijken.

Mij lijkt het onherroepelijk dat de mens in de toekomst zal moeten leven met systemen die hem veruit in intelligentie gaan overvleugelen. We kunnen maar beter gaan nadenken over hoe we dat gaan doen. En hoeveel menselijkheid we dat vertwijfelde witte mannetje willen toedichten.