‘Brandende sneeuw, hybride oorlog’

Lev Rubinstein maakt zich zorgen over Rusland, aan dichten komt hij amper toe.
Lev Rubinstein maakt zich zorgen over Rusland, aan dichten komt hij amper toe. Foto Andreas Terlaak

Godzijdank is in Rusland de massahysterie van Krimnasj („De Krim is van ons!”) uit de zomer van 2014 weggeëbd, zegt Lev Rubinstein in de lobby van zijn Rotterdamse hotel. Hoe lang kun je per slot van rekening hysterisch blijven? Gedichten schrijft hij niet veel meer, wel proza en essays. „De motivatie voor poëzie is een beetje weg. Rusland is beland in een linguïstieke catastrofe: de taal wordt vernietigd. Woorden hebben hun betekenis verloren en mensen begrijpen elkaar niet meer. Dat is zeer gevaarlijk.”

Lev Rubinstein (68) is dichter, performer en columnist en een van de grondleggers van het Russische conceptualisme. Hij schreef bundels als De grote cartotheek, Voorvallen uit de taal en Hoogstwaarschijnlijk. Als taalkunstenaar is hij gefascineerd door de tv-propaganda, al kan hij er nauwelijks naar kijken. „Oekraïners worden de hele tijd voor fascisten uitgemaakt. Dat is in Rusland sinds de oorlog een zwaarbeladen begrip, dat uiteraard alleen slaat op ‘de anderen’. Wij hebben immers de oorlog gewonnen en dus zijn wij genetisch de ‘antifascisten’. Maar hoe harder men schreeuwt over dat fascisme van de Oekraïners, hoe fascistischer onze eigen samenleving wordt.”

In de Sovjet-Unie waren op de universiteit militaire afdelingen, waar studenten verplicht ‘contrapropaganda in tijden van oorlog’ moesten doorlopen. Rubinstein denkt dat die oude lesboeken op tv opnieuw worden gebruikt. „Officieel heet het: wij zijn voor de vrede, maar de hele intonatie waarmee ze het zeggen stinkt naar oorlog. Ze wekken de indruk alsof de vijand al voor de poorten van Moskou staat! De opdracht voor deze campagne komt uit het Kremlin, vermoedelijk van iemand als Soerkov [adviseur van Poetin, red.], die ook oxymorons als ‘souvereine democratie’ [democratie zonder vrijheid, red.] heeft verzonnen. Brandende sneeuw! Hybride oorlog! Wij vechten niet in de Donbas en toch worden onze jongens daar krijgsgevangen gemaakt. Poetin handelt als in oorlogstijd: in een oorlog mag je immers liegen en bedriegen. En als de bevolking meedoet, helpt zij de staat aan de overwinning.”

Toch was de annexatie van de Krim je reinste improvisatie, denkt Rubinstein. „Eerst waren er de symbolische overwinningen op de Olympische Spelen in Sotsji en daarop volgde een reële overwinning. Magistraal! In Oekraïne lag de staat na Majdan op apegapen, de Krim lag voor het oprapen. Daar is een mooi woord voor: plundering, diefstal tijdens een brand.”

De sovjet-propaganda was minder gevaarlijk dan die van Poetin, zegt Rubinstein. „In de USSR had je wat Orwell newspeak heeft gedoopt. De partijfunctionaris sprak een onbegrijpelijk koeterwaals, dat door de bevolking als achtergrondruis werd opgevat. Maar nu bedient de televisiepropaganda zich van de taal van de onderklasse, van kerels uit de kroeg, die iedereen begrijpt.” Rubinstein denkt dat de Russische journalisten zich drogeren. „In hun razernij brengen ze zichzelf in een soort trance.” Veel mensen geloven het maar al te graag. Toen Rubinstein terugkeerde uit het West-Oekraïense Lvov was zijn buurman verbijsterd: „Het nest van de banderovtsy! Daar slaan ze je toch dood op straat?”

Voor Russen is Oekraïne gewoon Rossia 2.0: een grappig volkje dat een kleutertaaltje spreekt en rondloopt in geborduurde hemden. „We kijken daar een beetje ironisch op neer. En die lui willen opeens bij Europa gaan horen? Dat is voor onze machthebbers een gevaarlijk symptoom. Wat als de Russen dat straks ook opeens zouden willen? Waar blijven wij dan?”

Of Poetin in zijn eigen verhaal gelooft is volgens Rubinstein niet relevant. „Voor een KGB’er bestaat geen moraal. Hij handelt zuiver instrumenteel. Goed is dat wat gedaan moet worden. KGB’ers delen de mensheid in in ‘schadelijke’ en ‘nuttige’ types, in mensen die je moet vervolgen of die je moet kopen. Uit mijn jeugd ken ik dat soort types als Poetin, die bij de KGB wilden omdat het macht gaf en omdat geheim agent een romantisch beroep leek.” Al is de steun voor Poetin groot, 85 procent lijkt Rubinstein overdreven. „Russen steunen altijd de zittende macht. Komt er een ander, dan zullen ze die ook steunen. Velen doen het uit inertie of omdat het van ze verwacht wordt. Ons systeem zit zo in elkaar dat enorm veel mensen van de top afhankelijk zijn. Als de machthebbers zeggen: morgen hebben we 30.000 man nodig op het plein, dan staan al die leraren en postbezorgers daar gewoon.”

De in de Donbas moordende Russische patriotten noemt Rubinstein „de gewone kelderratten die tevoorschijn kruipen als het nodig is. In Rusland met zijn traumatische geschiedenis heb je veel gekken rondlopen.” Paradoxaal genoeg is hij over het aantal Russische dwazen voorzichtig optimistisch: „Met die enorme propaganda op tv zou je verwachten dat er massa’s hysterische mensen door Moskou zouden trekken, maar die zijn er niet. Op straat merk je niets van de oorlog.”