Welk deel van zijn geld zwart was, dat wist alleen Endstra

Het vermogen van ‘onderwereldbankier’ Endstra blijkt voor de helft crimineel besmet geld.

‘De bankier van de onderwereld’, luidde de bijnaam van vastgoedhandelaar Wim Endstra. En sinds gisteren weten we wat dat betekende. Dat Endstra zijn bedrijven gebruikte om drugsgeld wit te wassen is geen verrassing. Maar de omvang van de witwasoperatie wel.

Het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en de familieleden van de in 2004 geliquideerde Endstra maakten bekend dat een schikking is getroffen voor het witwassen van crimineel geld door Endstra via zijn bedrijven. Er wordt een bedrag van 40 miljoen euro betaald, dat is de helft van de totale waarde die de familiebedrijven van Endstra nog vertegenwoordigen.

De vastgoedhandelaar werd al sinds 1990 in verband gebracht met witwassen van drugsgeld. En toch slaagde hij erin een enorm imperium op te bouwen, onder de ogen van zijn accountant, de Belastingdienst, justitie, politie en met steun van vrijwel alle grote banken, waar hij probleemloos miljoenenleningen afsloot. Endstra zelf schatte zijn vermogen aan het begin van deze eeuw niet zonder trots op 225 miljoen euro. Een substantieel deel van dat vermogen werd dus met witwassen vergaard.

Na zijn gewelddadige dood in 2004 is een aanzienlijk deel van dat vermogen vervlogen. Opgeëist door banken, uitbetaald aan schuldeisers en verdampt door de vastgoedcrisis. Het familiebedrijf, dat naast vastgoed handelt in treinmaterieel, wordt ruim elf jaar na de dood van Endstra in omvang gehalveerd.

Maar daar staat wel wat tegenover. De transactie betekent dat de bedrijven van Endstra niet strafrechtelijk zullen worden vervolgd. En daarmee wordt ook de weg vrijgemaakt voor het afhandelen van de erfenis die Endstra heeft nagelaten aan zijn vijf kinderen.

Het is een unieke zaak, vertelt officier van justitie Paul Notenboom van het functioneel parket dat is gespecialiseerd in financiële criminaliteit. Niet zozeer vanwege de omvang van de transactie – die is aanzienlijk – maar vooral vanwege de complexiteit van de zaak. „Er liep geen strafrechtelijk onderzoek naar de bedrijven van Endstra toen hij werd doodgeschoten, maar tegelijkertijd waren er wel aanwijzingen dat er sprake was geweest van strafbare feiten”, aldus Notenboom. „We kregen bijvoorbeeld signalen van de Belastingdienst dat een aantal schuldeisers met criminele antecedenten bij Endstra had geïnvesteerd.”

De familie van Endstra had een heel ander probleem. De administratie van het bedrijf was – vriendelijk gezegd – niet helemaal op orde. Volgens advocaat Hans Koets, die de familie sinds de dood van Endstra heeft bijgestaan, was het moeilijk claims van schuldeisers op billijkheid in te schatten. Ook gingen die claims soms vergezeld van dreigementen waarvan niemand de ernst kon inschatten.

„De familie wilde schoon schip maken”, aldus Koets. „Zij wilden met justitie en de Belastingdienst praten over een regeling.” Al was het maar om zich te beschermen tegen claims van criminelen die zich nog niet hadden gemeld.

Na twee jaar onderzoeken en onderhandelen bleek onmogelijk precies vast te stellen welk deel van het vermogen afkomstig was uit criminele activiteiten, vertelt Erik Sweerts van de Belastingdienst in Amsterdam. „We hadden vermoedens over witwassen, maar in de administratie was daar weinig van terug te vinden. Al die informatie zat in het hoofd van Endstra zelf.”

Omdat alle partijen geen zin hadden in lange en geld verslindende juridische procedures, kozen ze voor een pragmatische benadering. Sweerts: „We hebben experts laten uitrekenen wat de bedrijven van Endstra op papier waard waren en in de praktijk zouden opleveren. En op grond van de dossiers die er lagen, hebben we zo eerlijk mogelijk geschat welk deel daarvan uit criminele activiteit afkomstig was.”

De conclusie: ongeveer de helft. Daar kon uiteindelijk iedereen mee leven. Voor justitie leverde dat een „passende” transactie op. En de familie kan volgens advocaat Koets weer vooruitkijken. „Zij kunnen nu verder met het bezit dat over is gebleven. Bij vragen over het verleden kunnen we wijzen naar deze overeenkomst.”

Een van die activiteiten waarmee de familie verder gaat is de zeehaven in IJmuiden. Omdat de familie niet alles in een keer kan betalen, is de haven als zekerheid in onderpand gegeven. Met de inkomsten uit de haven en de ontwikkeling van de nieuwe plannen hoopt de familie een gezond bedrijf op te bouwen.

„Zij kunnen verder met het legale deel van hun bedrijf en wij weten zeker dat er geen schuldeisers met een dubieuze achtergrond nog geld komen halen”, zegt officier van justitie Notenboom. „Crimineel geld is nooit veilig, bij wie het ook gestald wordt.”