Uit de euro? Geen denken aan!

Lichte groei en iets meer werk zorgen paar maanden voor verkiezingen voor enig optimisme.

De familie Gonçalves en medewerkers van fadorestaurantDragão de Alfama, metGraciete Alcina Maria (derde van links) en schoondochterSusana (midden).
De familie Gonçalves en medewerkers van fadorestaurantDragão de Alfama, metGraciete Alcina Maria (derde van links) en schoondochterSusana (midden). Foto’s Ernst Schade

Overal in Lissabon zie je grote billboards van de communistische partij met één duidelijke boodschap: Portugal moet uit de euro. De Portugese econoom Miguel St. Aubyn schudt het hoofd als de terugkeer naar de escudo ter sprake komt. „Nee, dat zou nooit mogen gebeuren. Er zal dan een enorme devaluatie ontstaan. Juist de gewone man zal daar de prijs voor betalen. Dat zouden communisten toch niet moeten willen?”, zegt de hoogleraar in zijn kantoor in het centrum van de stad.

De crisis houdt Portugal al jaren in de greep. De middenklasse is ver teruggeworpen. De Portugezen zijn niet massaal verenigd in hun onvrede. Een grote verzetsbeweging is er niet ontstaan, op links noch op rechts. Van een Grieks scenario willen weinigen een paar maanden voor de landelijke verkiezingen weten.

Met een voorzichtig groeiende economie en een licht dalende werkloosheid is er zelfs enig optimisme te bespeuren. Waarin verschillen Portugezen van de Grieken? Een immigrante uit São Tomé e Príncipe, een familie met een traditioneel Fado-restaurant en een jong stel met een eigen gourmet boutique, allen uit Lissabon, geven antwoord op die vraag.

Wie met de auto vanuit het centrum van Lissabon naar de buitenwijk Alto da Cova da Moura rijdt, ziet het straatbeeld bij het passeren van het spoor opeens van kleur verschieten. Alsof er een harde scheidslijn is tussen de verschillende stadsdelen. Die is er ook. In Alto da Cova da Moura leven migranten uit voormalige koloniën als Kaapverdië, Guinee-Bissau, Angola, Mozambique en São Tomé.

Hier is de werkloosheid veel hoger dan de 13 procent elders in Portugal. Zelfgebouwde huizen staan dicht op elkaar. De steegjes zijn soms zo nauw dat er geen auto door kan. Op straat wordt in drugs gehandeld. Het heeft iets weg van een Braziliaanse favela, al was het maar door de onderlinge verbondenheid in de wijk. „Al zouden ze kunnen, niemand wil hier eigenlijk meer weg”, zegt Whassysa Magalhães das Neves (31). „Dit is ons stukje Portugal. Met alle problemen van dien.”

Buitenlanders

Magalhães das Neves kwam net als vele anderen in Alto da Cova da Moura als kind naar Portugal. Pas onlangs is ze teruggeweest naar haar geboorte-eiland São Tomé. Op vakantie. „Ergens voelde ik me wel verbonden met de mensen daar. Het eten. De muziek. Portugal is toch mijn thuis, maar hier zien ze ons als buitenlanders. Velen hebben te maken met een identiteitsprobleem. Het imago is heel slecht en dat is niet altijd terecht. Het voelt alsof de inwoners van deze wijk worden gemarginaliseerd”, zegt Magalhães das Neves, die lerares is op een school in Alto da Cova da Moura.

Ze behoort met een vaste baan tot een minderheid onder de Afrikaanse Portugezen. Zelfs met een minimumloon van iets meer dan 500 euro per maand is het leven zwaar. Magalhães das Neves heeft vele buurtgenoten in crisistijd zien afglijden. Honderden zijn afhankelijk van liefdadigheidsinstellingen, die ’s middags in gaarkeukens voedsel serveren. „Voor de crisis was er voor mannen werk in de bouw, vrouwen gingen vaak in de stad schoonmaken. Dat soort banen zijn vrijwel niet meer te vinden. Als je op zoek gaat naar werk, kun je maar beter niet zeggen dat je uit Alto da Cova da Moura komt. De kans is anders groot dat je direct wordt afgewezen. Triest, maar waar. De verkiezingen zullen niets veranderen. Ik zal niet gaan stemmen. Het is allemaal hetzelfde. Als nooit tevoren zijn we op elkaar aangewezen. De solidariteit is hier groot. Dat hebben we misschien voor op andere Portugezen.”

Rood nest

Aan de andere kant van Lissabon lijkt de tijd in Dragão de Alfama stil te hebben gestaan. Dit fadorestaurant aan de Rua Guilherme Braga symboliseert ‘het oude Portugal’. De familie Gonçalves – uit een rood nest – runt de tent al tientallen jaren. Maar sinds de pater familias met alzheimer is opgenomen, komt veel werk op de schouders van de 76-jarige Graciete Alcina Maria terecht.

Aan het begin van de avond doet ze zelf de deur open en gaat ze achter de bar staan. „Jaren geleden stonden hier nog houten banken. We gebruikten petroleumlampen om de boel te verlichten. Het is altijd hard werken geweest. Maar nu wordt het me bijna te zwaar. De hele avond sta ik vrijwel alleen in de keuken. Aardappels schillen, rijst koken, vlees braden.”

De eerste toeristen zitten al aan tafel als de rest van de familie Gonçalves en hun medewerkers binnendruppelen. De zangeressen Ana Mauricio en Ana Carvalho maken zich op. Oudste zoon António Gonçalves neemt het heft in handen. Hij schenkt de wijnglazen vol, neemt bestellingen op en verwelkomt de muziekanten Paulo Jorge (gitaar) en Santos Moreira (viool). Het is zaterdagavond. Volle bak.

Schoondochter Susana Gonçalves is de spil. Ze serveert het eten en maant het publiek tot stilte als Lissabon in één van de fado’s wordt bezongen. „Alles is nog net als vroeger. En dat moet zo blijven. Dat vinden toeristen juist mooi”, legt Susana uit.

Milde fado’s

De fado werd in het verleden onder de Portugese dictatuur van António Salazar en Marcelo Caetano nog weleens gevreesd als protestlied. Niet zelden luisterde iemand van de staatsveiligheidsdienst mee. Hoewel de familie Gonçalves nog altijd op het communistische Coligação Democrática Unitária (CDU) stemt, is de toon van de fado vandaag de dag mild. Hooguit krijgt de vervelende buurman van het restaurant een veeg uit de pan of krijgt een toerist zonder het te weten een hoofdrol in een lied toebedeeld.

In breken met Europa ziet Susana niets. „In heel Europa moeten mensen het met minder doen. Dat zien wij hier terug in onze zaak. We zijn als familie nu van elkaar afhankelijk. Iedereen draagt op zijn manier iets bij. Geld om extra personeel in te huren is er niet. Maar het zal in de toekomst vast weer beter gaan met Portugal.”

Zwarte scenario’s

Vera Mares en Daniel Filipe (beiden 33) zijn het gezicht van een nieuwe generatie Portugezen, die door sommigen al als verloren wordt beschouwd. Deze dertigers weigerden zich neer te leggen bij allerlei zwarte scenario’s en begonnen in 2010 geheel tegen de stroom in een eigen winkel in het gegoede deel van Lissabon.

Vol trots staat Vera nu vijf jaar later nog steeds achter de kassa van Gourmet Boutique Goodies aan de Largo de Trindade. „Ik studeerde sociale wetenschappen in Parijs en zag overal om me heen gourmet boutiques. Eenmaal terug in Portugal kreeg ik nooit werk waar ik tevreden mee was. Ik wil met liefde naar mijn werk gaan. Toen heb ik Daniel gedwongen samen met mij een zaak te beginnen”, zegt ze met een glimlach.

Voor alles moest direct belasting worden betaald. Voor de bloemen voor de deur tot de naam op het zonnescherm. „We moesten alles vanaf de grond af opbouwen. Nu verkopen we ons eigen merk. We werken samen met het Marriott Hotel. Wat wij verkopen is uniek. Deze crisis is voor ons misschien zelfs wel goed geweest. Anders was Goodies er misschien nooit gekomen”, stelt Daniel.

Verkeerde handen

Vera en Daniel kijken met zorgen naar hun generatiegenoten. „Het is misschien wel de hoogst opgeleide generatie ooit, maar er zijn weinig mogelijkheden. Velen jagen hun dromen niet na. Bleven steken. Gaan weer bij hun ouders wonen. Het land is in de verkeerde handen. Corruptie zit onder de huid van politici. We gaan wel stemmen, maar er is geen geloof dat er iets zal veranderen”, stelt Vera.

„Nee”, vult Daniel aan, „bewegingen zoals Syriza in Griekenland of Podemos in Spanje zien we hier niet. Alternatieven zijn hier niet. Portugezen willen niet af van Europa. We hebben het beste land met de slechtste politici. Uiteindelijk zal onze generatie over tien of vijftien jaar het land veranderen. Laten we daarin geloven.”

Econoom Miguel St. Aubyn moet lang nadenken over zijn antwoord op de vraag of hij nog trots is op Portugal. Even zit hij met gebogen hoofd boven tafel en richt zich dan op. „Ik had het als kleine jongen zwaarder dan de jeugd van nu. Maar ik wist niet beter. Ik heb altijd in een betere toekomst geloofd. Daar is wel een gezamenlijke visie voor nodig. En die ontbreekt in Portugal. In alle opzichten.”