Opinie

Ludduvuddu

Hij kwam bijna vrolijk aangestapt, de man die had afgesproken met zijn dochter op deze zonnige zondagmorgen. Zij zat, lezend op haar iPad, al een poosje dicht bij mij op een terrasje bij de Dom van Utrecht. Ze stond op en ze kusten elkaar.

Bijna vrolijk? Ja, zo’n man leek hij me – iemand die graag een opgewekte indruk wil maken, ook als hij het niet helemaal is. Het is een goede eigenschap als je het ver wilt brengen, iets wat hem vermoedelijk redelijk gelukt was.

Hij viel op zijn stoel en begon meteen honderduit te praten. „Het is hier beter dan in Amsterdam”, zei hij, terwijl hij om zich heen wees. „Rustiger, minder toeristen. Van Amsterdam word ik soms gek, wil je dat geloven?”

Zij hoefde niet te antwoorden, hij raasde meteen door: „In het centrum is Amsterdam één grote wafelwinkel aan het worden. Wafels, de nieuwste mode op winkelgebied. We hadden al het ijs, nu de wafels. Overal ruik je die zoete walm, ik word er misselijk van. Het is hét symbool van de teloorgang van Amsterdam. Of overdrijf ik omdat ik Amsterdam graag wil houden zoals het was?”

Hij gaf geen antwoord op deze interessante vraag, maar stootte eindelijk door naar zijn dochter: „En hoe gaat het met jou?” Ze mompelde iets onverstaanbaars, waarop hij – weer bijna vrolijk – uitriep: „Zal ik binnen een broodje voor je bestellen? Waar heb je zin in?” Hij was al opgestaan. Het was een vrij lange man, ik schatte hem op een jaar of vijftig; zijn dochter haalde amper de twintig.

Toen hij terugkwam sneed hij een thema aan dat hij voor deze ontmoeting hoog op zijn mentale agenda moest hebben gezet. „Ik belde nog met Lotte. Ze laat de laatste tijd zo weinig van zich horen. Ik vroeg: hoe gaat het met je? En wat denk je dat ze zei? Goed! Goed! Alsof we niet allemaal weten dat ze barst van de ludduvuddu. Dat klopte dus helemaal niet. Ze wil er gewoon niet voor uitkomen.”

„Het gaat toch verder ook goed met haar”, zei zijn dochter. „Ze heeft haar werk, en dat doet ze prima. Ze zal toch verder moeten.”

„Toch jammer dat ze er niet over wil praten.”

„Ik begrijp dat wel.”

De vader zweeg, hij moest een muur van zusterlijke reserve voor zich zien oprijzen. Hoe graag had hij die muur afgebroken met de moker van zijn voortvarendheid.

„Nou ja”, zei hij, alsof hij zichzelf wilde troosten, „er komt heus wel weer een andere snuiter opduiken. Het is een mooie meid. Als ik er met jongens over praat, zie ik hun ogen groot worden – ze ruiken weer hun kans.”

De dochter gaf geen commentaar en switchte naar een ander onderwerp: zijn werk. Een bekwame tactische zet, want daarover raakte hij voorlopig niet uitgepraat. Hij organiseerde congressen hier en congressen daar en op al die congressen voerde hij ook zelf het woord. Wat precies het thema was, werd mij niet duidelijk, maar misschien was dat ook helemaal niet relevant.

„Jij kunt woensdag ook komen luisteren”, stelde hij voor.

„Woensdag kan ik nie”, zei zijn dochter, verstaanbaarder dan ik van haar gewend was.

Hij verviel voor het eerst in enig gepeins. Toen zei hij verrassend filosofisch: „98 procent van de dingen die mensen doen, gaat fout. 1 procent gaat per ongeluk goed en voor die andere procent moet je keihard werken.”

Het leek mij een bruikbaar motto voor al die congressen.