Opinie

Jij bent vast hálf Turks

Een week geleden kwam ik Yildiz en Mehmet tegen in de oude broodfabriek in Rijswijk waar ze net hun stem hadden uitgebracht op de links-intellectuele partij HDP. Een tegenstem. De bestuursadviseur en de arts uit Hoofddorp waren somber, ook over de Nederlandse Turken. „Ze zijn conservatief”, had Mehmet gezegd.

Gisteravond gingen ze met vrienden uit eten bij wokrestaurant Jin Lai in Haarlem, om de overwinning van HDP te vieren: bijna 13 procent van de stemmen. „We hebben weer hoop”, zeggen ze.

Allemaal kinderen van gastarbeiders. Iedereen spreekt accentloos Nederlands, behalve de grootmoeder in het gezelschap. Yildiz heeft zelfs een kraak in haar stem. Ze heeft haar haren opgestoken en draagt een tuniek met blauw geborduurde bloemen erop. Bij de sushi en een glas bier formeren ze de ene coalitie na de andere. Drie tafels aan elkaar geschoven, hun dochter van twee zit aan het hoofd.

In Turkije verloor de AK-partij van president Erdogan, in Nederland won hij. Hij behaalde 64 procent van de stemmen. „Veel Turken voelen zich in Nederland uitgesloten, niets waard”, had Yildiz vorige week gezegd. „Bij Erdogan zijn ze thuis. Hij geeft ze hun trots terug.”

„In Turkije”, zegt ze nu, „kunnen mensen naast elkaar leven. Ze zijn allemaal Turken, ook de Koerden, al vinden die dat moeilijker. Als Koerden gelukkig zijn, noemen ze zichzelf Turken, als ze arm zijn: Koerden.”

Hij: „Je wordt gewaardeerd om wat je kunt, niet om waar je vandaan komt.”

„In Nederland”, zegt zij, „is het omgekeerd. De oorspronkelijke bewoners oordelen kolonialistisch over buitenstaanders, al denken ze dat ze dat niet doen. Nederland is een standenmaatschappij.”

„Oud geld rules”, zegt hij. „Joop van den Ende werd met zijn 1,6 miljard niet geaccepteerd door zijn buren in Baarn.”

„Wij moeten ons altijd bewijzen”, zegt Kevser Comak met de zachte blik. Zij is manager bij NS op Schiphol.

„Ze vragen altijd of je vader een uitkering had”, zegt Yildiz.

Mehmet: „Ik werkte als arts in een opleidingsziekenhuis in Amsterdam. In ons team zaten van oorsprong Nederlandse artsen en buitenlanders. Als een buitenlander een diagnose stelde, werd die in twijfel getrokken. Als ik zei: de patiënt moet eerst gewogen worden, dan gebeurde dat steevast niet. Ik heb dat ziekenhuis daarom verlaten.”

Ineens buitelen de voorbeelden over elkaar. Een leidinggevende die altijd voor secretaresse wordt aangezien. Een arts die naar basisscholen moet bellen voor nichtjes en neefjes die ondanks hoge Cito-scores een te laag schooladvies krijgen. Een patiënt die tegen Mehmet zei: „Je bent moslim” en vertrok. „Terwijl ik atheïst ben!” De juf van Kevsers dochter die zei: „Wat leuk dat zij als buitenlander weet wat gamba’s zijn.” „Ik antwoordde: ‘Die leven in de Kaspische Zee, waar wij elke zomer zwemmen.’”

„Collega’s zeggen goedbedoeld: ‘Goh, jij bent vast hálf Turks’”, zegt Kevser. „Toch ben ik hier gelukkig.”

De gamba’s worden opgediend in een grote wok. „Veel talent blijft onbenut”, zegt Mehmet. „Een Turkse collega-arts vertrekt uit frustratie naar Australië. Als je succesvol bent, zijn er weinig redenen om hier te blijven.”

Yildiz: „Onze tragiek is: wij zijn slim genoeg om het onderscheid te voelen.”