Iedereen heeft ooit wel eens heimwee, misschien

Heimwee is geen bloeiend onderzoeksterrein, want het staat niet als stoornis in het psychiatrisch handboek. Maar voor sommige mensen is het wel een probleem. En wat is er dan aan de hand: dat ze thuis missen of dat ze zich niet kunnen aanpassen?

Een ‘heimweepaal’, gemaakt door Nederlandse militairen in Kabul. Peter Boer / HH
Een ‘heimweepaal’, gemaakt door Nederlandse militairen in Kabul. Peter Boer / HH

Over heimwee is nog veel onbekend. Of meer mannen dan vrouwen het krijgen weten we niet. En hoeveel mensen er überhaupt last van hebben? Verschillende onderzoeken geven totaal verschillende percentages, afhankelijk van wie je het wanneer vraagt en hoe precies. In een Nederlands onderzoek uit 2001 zei 14 procent van de expats voor vertrek al heimwee te hebben; in een Brits onderzoek uit 2005 kampte 99 procent van de acht tot zestienjarige jongens op de eerste dag van zomerkamp met heimwee. Misschien heeft iedereen ooit weleens een béétje heimwee.

Voor een klein deel van de mensen is heimwee een echt probleem. Die durven niet uit logeren, niet op vakantie. Ze worden somber, tobberig, angstig, ongelukkig en kunnen zich slecht concentreren als ze toch van huis gaan. Er zijn zelfs onderzoeken waarin een verband wordt gelegd tussen heimwee enerzijds en hartproblemen, diabetes en internetverslaving anderzijds. Het is wel echt een minderheid voor wie heimwee zo’n groot probleem is, benadrukt klinisch psycholoog Margaret Stroebe. „Als ik zou moeten gokken, zou ik zeggen: niet meer dan 5 à 10 procent van de mensen.”

Stroebe doet al een jaar of vijftien onderzoek naar heimwee, maar dat doet ze erbij, als een spin-off van haar specialisatie: rouw. Ze begon ermee als iets voor haar studenten, omdat rouw voor beginnende studenten zo’n zwaar onderwerp is. Heimwee is geen bloeiend onderzoeksterrein – onder meer, denkt Stroebe, omdat het niet als stoornis in het psychiatrisch handboek DSM-5 staat. „Van Amerikaanse collega’s hoor ik dat ze daardoor geen onderzoeksgeld krijgen.”

Stroebe noemt heimwee een „mini-grief”, kleine rouw. Dat zou ze ook doen als Engels niet de gangbare wetenschapstaal was, want ze is Brits. „Mijn vroegste herinnering, ik was drie, is dat ik met de huishoudster ging kamperen in het Lake District”, vertelt ze op haar werkkamer in Utrecht. Ze werd zo ziek van heimwee dat de vrouw haar na een paar dagen al terugbracht. „Dat is natuurlijk vermengd geraakt met mijn moeders verhalen, maar ik voel het nog steeds.”

Gaat het bij heimwee om het missen van mensen van wie je houdt of om het missen van thuis?

„Hierin verschilt heimwee precies van rouw. Bij rouw mis je iemand en de rol die diegene in je leven speelde. Bij heimwee gaat het niet alleen om mensen en de hond, maar ook om voedsel, muziek, de routines van thuis...”

Ik las in uw artikelen wie er tot heimwee geneigd zijn: neurotische, angstige en rigide mensen met een lage status en weinig zelfvertrouwen...

„Oh, dat moet verschrikkelijk zijn om te lezen als je heimwee hebt! Dit zijn eigenschappen die de kans vergroten dat je heimwee krijgt, maar er zijn ook mensen met heimwee die die eigenschappen niet hebben. De situatie is ook van belang: of je gewend bent aan kamperen, of je naar kostschool wilde of gestuurd werd.”

Helpt het bij heimwee om iemand naar huis te halen? Blijft diegene dan niet altijd heimwee houden?

„Mensen naar huis laten gaan werd vroeger als de enige oplossing gezien. Je moest het lijdend verdragen, óf naar huis gaan. Toen ik eind jaren 90 lesgaf op het University College Utrecht hadden we een studente die op nog geen 15 kilometer afstand was opgegroeid. Er waren ook meisjes uit Rusland, maar zij was degene met heimwee. We lieten haar forensen zodat ze geleidelijk kon wennen. Dat was niet volgens de College-regels, maar wel verstandig. Tegen het tweede jaar ging het goed met haar.”

Maar nu is het idee dat er wél iets tegen te doen is? Hoe is dat veranderd?

„Ik denk dat de antiheimweeprogramma’s veel invloed hebben gehad. Die zijn er onder meer op gericht om mensen actief te laten zijn zodat ze zich beter voelen, om mensen meer gevoel van controle te geven, om het piekeren van ‘was ik maar thuis’ onder controle te krijgen. Niet naar huis bellen als je je slecht voelt, alleen als je je goed voelt... ”

Wat bij heimwee vaak niet werkt, terwijl het bij zoveel problemen wél helpt, is het van je af te schrijven...

„Klopt! Misschien omdat mensen dan alleen maar blijven opschrijven hoe fijn het thuis zou zijn. Bij rouw lijkt de opdracht om over je gevoel of problemen te schrijven trouwens ook niet te helpen. En ook daarbij vermijden mensen om de realiteit onder ogen te zien: dat iemand dood is en niet meer terugkomt. We willen nu proberen of schrijven wél werkt als mensen feedback krijgen, en de opdracht om constructief te zijn.”

Wat moet er nu als eerste onderzocht worden?

„Oh, absoluut het onderscheid tussen echte heimwee, de scheiding van thuis, enerzijds en de problemen met aanpassing aan een nieuwe situatie anderzijds. Het tweede lijkt meer met depressie samen te hangen, maar het eerste misschien meer met angst. Wij proberen dat nu uit elkaar te halen.”