Opinie

Hoe de buurtsuper verdween uit Ulrum

Roelof Noorda inKoppig Dorp (2DOC/EO).
Roelof Noorda inKoppig Dorp (2DOC/EO).

Het begrip ‘krimp’ in beeld brengen is nog niet zo eenvoudig. Je kunt natuurlijk dichtgetimmerde winkelstraten laten zien, of omgevallen wegwijzers, maar dan heb je nog niet verklaard wat het proces in gang zet en op stoom houdt.

De documentaire Koppig Dorp (2DOC/EO) van Jaap van ’t Kruis en Marco Nauta doet een dappere poging. In hun verlangen te stileren zijn nogal wat zichtbaar onhandige ensceneringen en stuurmomentjes binnengeslopen. Je voelt aan alles dat de dialogen regelmatig op verzoek van de regie gevoerd worden.

Maar daar staat veel fraais tegenover. Zo is het goed gelukt om de tegenstellingen en paradoxen in de weeklachten van bewoners van krimpgebieden boven water te krijgen.

Zo zien we de franchisenemer van de Spar in het Groningse Ulrum (1.400 inwoners) thuis gamen, om zijn frustratie en woede over de geringe omzet een beetje van zich af te zetten. Enthousiast overvalt hij in Grand Theft Auto een winkelier, die hij maant snel het geld af te geven, alvorens hij hem doodschiet, met een welgemeend „hoppetee!”.

De filiaalchef, Marcel Vogelzang, is een liefhebber van metal. Zijn tegenspeler in de film, Roelof Noorda van Dorpsbelangen, laat zich inspireren door het evangelie. Ulrum was in 1834 onder leiding van dominee De Cock de brandhaard van de Afscheiding van de Nederlandse Hervormde Kerk, die niet orthodox genoeg meer was. Het zou het begin worden van de Gereformeerde Kerken. Koning Willem I stuurde er zijn troepen op af, hetgeen vorig jaar herdacht werd met een historische braderie.

Noorda is ook voorzitter van de stichting Project 2034, dat van de provincie Groningen anderhalf miljoen euro subsidie kreeg, met als doel Ulrum nieuw leven in te blazen. Het behoud van de buurtsuper is een speerpunt, de basisschool is al dicht. Maar Noorda komt eigenlijk zelf nooit in De Spar, want hij doet boodschappen bij de Jumbo in Leens, vier kilometer verderop. Hij kan niet goed uitleggen waarom, maar het is vermoedelijk goedkoper daar.

Ook de jongelui van het dorp, rokend in het café, weten allang dat je voor ”een goeie baan” naar Zoutkamp moet (vijf kilometer de andere kant op). Behalve als je kunt bogen op „een topfunctie bij De Spar”.

Je kunt je afvragen wat er nu precies verkeerd is aan boodschappen doen in een ander dorp, als je zuinigheid het nu eenmaal wint van je nostalgie. Maar er is natuurlijk ook niet veel te besteden.

Dat wordt duidelijk wanneer kunstenares Elize Roetberg haar entree maakt. Ze legt uit dat ze het voor haar eindexamenproject aan de Rietveldacademie wel leuk vindt „een tijdje in een dorpje te wonen." Ze bedenkt het Ulrummer Sokkenproject: dames breien sokken in ruil voor tegoedbonnen van de Spar, die Elize online verkoopt. Voor die sokken willen mensen in de stad wel, zeg maar, 19,90 euro betalen. Een van de dames wil het niet geloven, zo veel geld. Haar commentaar zou dominee De Cock niet goed kunnen keuren: „Halleluja!”

En zo kregen neoliberalisme en rendementsdenken alsnog voet aan de grond in Ulrum. De Spar ziet er geen heil meer in, de sokken kosten nu 15 euro op internet.