Dit is waarom de Eritreeër vlucht

Eritreeërs vormen de grootste groep bootvluchtelingen naar Italië. Een VN-rapport toont dat Eritrea steeds verder afglijdt.

Afrikanen die de Middellandse Zee overstaken, zondag bij aankomst in de Siciliaanse havenstad Augusta.
Afrikanen die de Middellandse Zee overstaken, zondag bij aankomst in de Siciliaanse havenstad Augusta. Foto Antonio Parrinello/Reuters

Elke maand maken duizenden Eritreeërs de gevaarlijke oversteek over de Middellandse Zee naar Europa. Na de Syriërs vormen zij de grootste groep vluchtelingen die koers zetten naar Europa. In Italië zijn de Eritreeërs dit jaar zelfs de grootste groep geworden.

Gisteren publiceerde de mensenrechtencommissie van de VN een nieuw rapport dat duidelijk maakt waarom zo veel inwoners Eritrea hun land ontvluchten. Met het van de buitenwereld afgesloten Noord-Korea strijdt Eritrea (6,7 miljoen inwoners) om voorrang als het land waar de bevolking het meest heeft te lijden onder een repressief, dictatoriaal regime. Net als in Noord-Korea worden de burgers van het land als horigen behandeld. Onder dictator Isaias Afewerki (69) „heerst de angst”, zegt het onderzoeksteam onder voorzitterschap van de Australische diplomaat Mike Smith.

De staat sluit zijn burgers lukraak op, laat hen verdwijnen, stelt hen bloot aan marteling en doodt hen zonder enige vorm van proces. Vanaf hun schooltijd moeten de jongeren in dienst, wat in de praktijk vaak neerkomt op dwangarbeid. Voor onbepaalde tijd. Juist om dat sombere perspectief te ontlopen, proberen jongen zo snel mogelijk weg te komen.

Misdaden tegen de menselijkheid

De onderzoekers concluderen niet alleen dat de mensenrechten op grote schaal worden geschonden, maar dat waarschijnlijk ook sprake is van misdaden tegen de menselijkheid. Daar moet de internationale gemeenschap nader onderzoek naar doen, luidt de prangende aanbeveling. Met de impliciete boodschap: indien daarvan sprake is kan de buitenwereld niet langer afwachtend blijven toekijken.

In die omstandigheden is het niet gemakkelijk om de migrantenstroom te keren, zoals Europa graag wil. Europees commissaris Neven Mimica (Internationale Samenwerking en Ontwikkeling) denkt dat hij een uitweg heeft: financiële steun voor sociaal-economische projecten in Eritrea. Op die manier snijdt het mes aan twee kanten, suggereerde hij in maart op bezoek in de hoofdstad Asmara. Ontwikkelingshulp kan bijdragen tot verbetering van de mensenrechtensituatie en het bevorderen van democratie, én er worden echte banen geschapen, waardoor jongeren niet langer naar de EU hoeven. Sinds Mimica’s bezoek zijn de speculaties toegenomen over hervatting van het Europese ontwikkelingsprogramma voor Eritrea.

Maar het nieuwe rapport van de VN-commissie geeft de critici van zo’n aanpak alleen maar meer gelijk. „Als je projecten in Eritrea gaat steunen, ondersteun je in feite alleen maar het systeem van dwangarbeid”, zei onlangs bijvoorbeeld de Tilburgse hoogleraar Mirjam van Reisen. Zij heeft studie gedaan naar de exodus van Eritreeërs en naar de rol van overheidsfunctionarissen en mensensmokkelaars daarbij. Zij en anderen stellen dat er geen zaken zijn te doen met de machthebbers in Asmara.

Daarbij gaat het in de eerste plaats om president Afewerki, sinds de losmaking van Ethiopië in 1991 de sterke man. In 2001 leek er even een liberale wind te waaien in het land, maar vermeende dissidenten verdwenen al snel in het gevang. In de jaren erna is Eritrea steeds verder afgegleden, van een autoritaire naar een totalitaire staat, excessief gemilitariseerd (met als voorwendsel de voortdurende dreiging van aartsvijand Ethiopië) en steeds meer geïsoleerd ten opzichte van het buitenland. Ook diplomaat Smith en de andere twee VN-onderzoeker hebben dat ervaren: ondanks herhaalde verzoeken mochten ze niet langskomen in Asmara.