‘De Nepalese regering veracht het volk. Hier gebeurt niets’

De overheid in Nepal is zwak. De frustratie en woede van de slachtoffers groeit.

Ingestorte huizen, zoals hier in het dorp Kavre, kunnen pas worden herbouwd als er een vergunning is. „Niemand krijgt die”, klaagt een inwoner van Patan.
Ingestorte huizen, zoals hier in het dorp Kavre, kunnen pas worden herbouwd als er een vergunning is. „Niemand krijgt die”, klaagt een inwoner van Patan. Foto Roberto Schmidt/AFP

Op het Durbarplein van Patan, een van de oude steden in de vallei van Kathmandu, staan alle tempels nog overeind. Sommige zijn honderden jaren oud en een stuk degelijker gebouwd dan de woonwijken die er vorige eeuw omheen werden opgetrokken. Daar zijn vele huizen ingestort door de zware aardbeving die Nepal zes weken geleden trof.

„Ik wil mijn huis opbouwen, maar ik mag het niet”, zegt Saroj Shakya. „Niemand in onze stad krijgt daarvoor een vergunning.” Hij hangt rond op het tempelplein, op zoek naar toeristen die hem willen inhuren als gids. Maar de paar blonde vrouwen die op het plein lopen, zijn medewerkers van een westerse organisatie die noodhulp verstrekt.

Hij leeft met zijn gezin in zijn achtertuin. Het huis is te zwaar beschadigd om in te slapen. „We zijn bang dat het instort door de naschokken.” Zaterdag beleefde Nepal zijn driehonderdste naschok. Sindsdien zijn er minstens twee rond de hoofdstad gevoeld. „De overheid zegt in de media dat ze haar best doet om te helpen. Daardoor denken jullie in het buitenland vast dat hier allerlei projecten op stapel staan. Maar luister goed: er gebeurt hier helemaal niets. De ministers verachten het volk. Ze weten niet wat we doen, wat we zeggen, wat we dagelijks eten. Voor hulp zijn we aangewezen op het buitenland.” Hij is beeldhouwer van boeddhabeelden, maar sinds de aardbeving besteedt daar niemand nog zijn geld aan. „We hebben geen huis, geen geld en nog maar een beetje rijst. Dit kan zo niet doorgaan.”

In Bhaktapur, een stadje in de vallei nabij de hoofdstad Kathmandu, gaat de Nederlandse minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Lilianne Ploumen een tent binnen. Ze is in Nepal gearriveerd om poolshoogte te nemen. Ze wil weten hoe het met de hulpverlening staat en of het Nederlandse hulpgeld goed wordt besteed.

Loze beloften

Terwijl Ploumen praat met een vrouw die haar huis heeft verloren en nu afhankelijk is van hulp van het Nepalese Rode Kruis – dat via het Nederlandse Rode Kruis financieel wordt gesteund door Nederland – worden mensen onrustig in het tentenkampje. Een peloton oproerpolitie in camouflage-uniformen, met helmen op en zwarte borstharnassen aan, neemt positie in.

„Er zijn veel spanningen hier”, zegt een Rode Kruis-medewerkster. Mensen zijn boos omdat ze geen hulp krijgen van onze eigen regering. Maar ze zijn juist blij met de komst van buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders. Buitenlanders doen geen loze beloften. Die géven tenminste iets.”

De onrust strekt tot aan de rand van de vallei. In het dorp Sankhu – 25 kilometer buiten Kathmandu en voor 80 procent verwoest – wordt noodhulp verstrekt door een conglomeraat van hulporganisaties, waaronder het Nederlandse ICCO. Dorpelingen drommen samen rond een tafeltje waarop een hulpverlener namen afvinkt op een lijst.

Haastige militairen

Drie dagen na de aardbeving was deze krant in hetzelfde dorp. Toen waren de mensen vertwijfeld over het uitblijven van hulp door de overheid. Het leger trok door het dorp en bleef een dag om lichamen uit de puinhopen te bergen. De eenheid trok weer verder terwijl er nog doden onder het puin lagen, waardoor een zoetige lijklucht over het dorp neerdaalde. De haastige militairen waren de enige hulp die de mensen van regeringswege hebben gezien.

Inmiddels is de vertwijfeling omgeslagen in woede. „We zijn heel, heel boos op onze regering. Ze doet niets voor ons. We hebben de overheid nodig om onze huizen weer op te bouwen”, zegt Rinu Kaswesya. ‘Lucky’ staat op haar gele shirtje geprint. „We zijn afhankelijk van het buitenland en van Nepalese burgers voor water, voedsel en tenten.”

„Die boze geluiden hebben mij ook bereikt”, vertelt minister Ploumen. Er staat nog een onderhoud op de agenda met de minister van Buitenlandse Zaken. „Ik zal die geluiden overbrengen, maar ik neem aan dat hij ze wel kent. Het is natuurlijk niet makkelijk voor de regering, onder deze omstandigheden. Maar wij, de internationale gemeenschap, moeten nu met de regering samenwerken om effectief hulp te kunnen bieden. Wij zijn hier massaal aanwezig, maar de regering moet ook een stapje zetten.”