De eerste leeuwinnen van Oranje

Voor het eerst doen Nederlandse vrouwen mee aan een WK voetbal. Tot diep in de jaren 60 voetbalden vrouwen alleen als geintje tegen elkaar, op Koninginnedag of een bedrijfsfeest. ‘Damesvoetbal’ was bij de KNVB zelfs verboden. Toch belandde Jannie Slabber in 1971 in het eerste Nederlands vrouwenelftal, schrijft haar zoon Frank Provoost.

Het Nederlandse elftal in actie, met Jannie Slabber (tweede van links) en Ella Lepoeter (uiterst rechts).
Het Nederlandse elftal in actie, met Jannie Slabber (tweede van links) en Ella Lepoeter (uiterst rechts). Foto ANP

‘Mijn moeder zat in het eerste Nederlands elftal. „Oh.” „Hmmm.” „Uh-huh.” „Tuurlijk.”

Dit zijn alle mogelijke antwoorden die ik krijg zodra ik over de sportieve carrière van mijn moeder begin. Hoe ik het breng, maakt niet uit: van supertrots tot overdreven achteloos. De uitkomst blijft altijd hetzelfde. Doodse stilte, glazige blikken, ongeloof.

„Yeah right… En ik ben Sinterklaas.”

Het is tijd voor gerechtigheid. Vrouwenvoetbal is de snelst groeiende sport, en na hockey het populairst onder meisjes. Zelfs onder bankhangende gamers is de opmars merkbaar: binnenkort kunnen zij in het immens populaire FIFA 16 voor het eerst ook vrouwelijke speelsters selecteren. Maar: bij een geslaagde emancipatie hoort ook gepaste eerbied voor het verleden. Nu Nederland dit weekeind met een 1-0 overwinning succesvol begonnen is aan het WK voetbal voor vrouwen in Canada, wordt het tijd dat de vrouwelijke pioniers de credits krijgen die ze verdienen.

Dus daar gaan we, terug naar 1971. Op naar Zeeland, destijds het epicentrum van wat toen nog ‘damesvoetbal’ heette. Hier werd het eerste Nederlandse vrouwenelftal opgericht. En dit zijn, inclusief reservebank, de namen:

In de goal: Nellie Aalbrechtse

Verdediging: Marja Adriaanse, Lia Rietdijk, Rachel Hokke, Ella Hendrikse

Middenveld: Ella Lepoeter, Elly Voet, Jannie Slabber (hoi mam!), Koos Minderhoud

Voorhoede: Marja Versprille, Dina Vogelaar, Thea Bakx

Coach: Robert Verbruggen.

En niet te vergeten: het brein: Gerard Korsuize (69). Op een zonnige woensdagmiddag zit hij in zijn woonkamer in Biezelinge tussen de opgestapelde dozen, kranten, knipsels en zijn zelfbedachte kansspel ‘Korpa’ dat hij al jaren op de markt wil brengen. Boven zijn hoofd piepen twee parkieten, op tafel liggen dikke multomappen vol vergeelde correspondentie.

„Ik ben de dader”, zegt hij achterover leunend. „Hier zit de man die het Nederlands elftal uit de grond heeft gestampt. En ik heb de bewijzen.” Brief één landt op tafel. Het is een uitnodiging uit 1970 van de Federazione Internazionale Europea Football Femminile (FIEFF) om naar hun vergadering in Turijn te komen. Agendapunt: het aanstaande WK in Mexico, waarvoor vier Europese teams zich kunnen plaatsen. Kon Korsuize misschien zorgen voor een Nederlandse afvaardiging, hij was toch immers voorzitter van de Eerste Zeeuwse Damesvoetbalvereniging (EZDVV)? „Ik was eigenlijk nog nooit ergens geweest, maar ik ben toch op de trein gestapt.”

EZDVV was twee jaar eerder door hem opgericht. Rond die tijd gingen vrouwen spontaan tegen elkaar voetballen, zegt hij. En wat begon als geintje op Koninginnedag of bij een bedrijfsfeestje werd steeds serieuzer. Maar toen hij netjes de KNVB op de hoogte bracht van het bestaan van zijn club, kreeg hij „een achterlijk schrijven” retour.

Smalend gooit hij de brief op tafel. EZDVV kan ‘op reglementaire gronden’ niet worden toegelaten, schrijft de Zeeuwse afdelingssecretaris van de voetbalbond. En dan komt het: „Nu er sprake is van een officiële vereniging vloeit uit het bovenstaande voort dat men als lid van de KNVB of een zijner afdelingen aan de oprichting en instandhouding van deze damesvoetbalvereniging geen medewerking mag (blijven) verlenen, noch als scheidsrechter, noch als bestuurslid. Wij moeten u dan ook, zeer tot onze spijt, in ernstige overweging geven uit bovenstaande uw gevolgtrekking te maken.”

Oftewel: vrouwenvoetbal was illegaal. Korsuize: „Van dat dreigement heb ik me niks aangetrokken. Die meiden wilden voetballen en ik vond dat ze daar recht op hadden.”

Vriendschappelijk potje

Vijftig kilometer verderop, in Westkapelle, gebeurde in 1969 ongeveer hetzelfde. Ook daar begon het met een vriendschappelijk potje op Koninginnedag. „Dat was zo leuk dat we toen de Noorvrouwen hebben opgericht”, zegt mijn moeder. Locatie: de enige plek van het dorp waar iets te beleven viel, cafébar De Schuur. „Daar trad Bolle Jan soms op, of de rockband Heating, die wij allemaal geweldig vonden. En dat werd nu ook ons clubgebouw.” De naam ‘Noorvrouwen’ sprak voor zich: de plaatselijke club, VV De Noormannen, was immers ook vernoemd naar de mogelijke stichters van het dorp op het westelijkste puntje van Walcheren. „Ik weet nog dat ik superzenuwachtig naar hun vergadering ben gegaan, om te vragen of we hun veld mochten gebruiken.”

Mijn moeder werd spits, aanvoerster en uiteindelijk ook topscoorder. „Ik was niet heel technisch, maar ik liep heel veel, had spelinzicht en was fanatiek.”

Wat de KNVB er ook van mocht vinden, de Zeeuwse olievlek breidde zich uit. Zoutelande, Arnemuiden, Wemeldinge, Hoedekenskerke en Goes kregen eigen vrouwenteams. Zo werd ‘de wilde bond’ geboren, een soort doe-het-zelf-liga, inclusief competitie en toernooien. Korsuize zag tot zijn genoegen de poel met potentieel talent groeien. „Er bleek ineens een dot meer damesvoetbal te zijn dan ik vermoedde.”

Tijd voor een nieuwe brief. Het is een uitnodiging voor een vergadering op 2 januari 1971, in café De Landbouw, Goes. Te bespreken: „Vorming van een Nederlands elftal” en de „deelname aan de kwalificatievoorronden van het Wereldkampioenschap te Mexico-Stad.” En het is nu of nooit, aldus een dubbel onderstreepte waarschuwing: „Verenigingen die geen vertegenwoordiger afvaardigen naar deze vergadering zal deelname tot dit Nederlands elftal worden ontzegd.”

Mijn moeder ging erheen en werd, met nog drie Noorvrouwen, uitverkoren. Ze werd middenvelder. „Dat vond ik eerst jammer, want ik wilde doelpunten maken. Maar uiteindelijk bleek mid-mid de mooiste plek, omdat je echt het spel kunt bepalen.” Op een topscoorderslijstje uit augustus 1971 is ze toch nog vierde, met vijf treffers. „Maar onze spitsen konden echt schieten als een vent en knalden alles erin.”

Aanvaller Marja Versprille deed dat volgens het lijstje 26 keer. „Ik kon verschrikkelijk hard schieten en ik was verschrikkelijk gemeen”, geeft ze toe. „Maar hoe hard ik ook tackelde, het was altijd op de bal – al snapten scheidsrechters dat vaak niet.”

Haar ouders wisten van niets. Vanwege haar strenge geloof speelde ze als vijftienjarige stiekem. „Ik woonde in Krabbendijke, een echt refo-bolwerk waar meisjes natuurlijk niet mochten voetballen. Daarom liet ik mijn kleren wassen door een vriendin. Maar na de eerste wedstrijd kwam het uit, want ik scoorde een stuk of wat doelpunten, en toen stond ik de volgende dag groot op de voorpagina van de PZC.”

De onbetwiste topscoorder was Dina Vogelaar uit Numansdorp, met maar liefst 42 treffers. Haar bijnaam: Het Kanon. „Schieten – en liefst met effect, vooral bij hoekschoppen – is mijn lust en mijn leven”, zei ze in 1970 tegen de Nieuwe Leidse Courant. „Ik sla geen tv-uitzending van voetbal over en erger me vaak geweldig omdat die kerels zo lopen te klungelen. Dan zou ik er zo wel willen inspringen. Waarom zouden meisjes niet even goed kunnen voetballen als jongens?”

Alleen de pers deed flauw

Wat opvalt: volgens bijna alle speelsters werd hun komst op het voetbalveld door de buitenwacht volkomen geaccepteerd. „Er was altijd publiek”, zegt mijn moeder. „Oma kwam ook altijd kijken.”

Het was vooral de pers, die er de draak mee stak. Zuchtend bladert mijn moeder door haar bescheiden album met foto’s, knipsels, en zes kantjes aan huiswerk over buitenspel. Met gepaste minachting leest ze voor hoe de Twentsche Courant schrijft over „het georganiseerde voetbal der huismoeders en zij die dat nog eens hopen te worden”.

„Een vrouw met mooie slanke benen zal het nimmer wagen die op het voetbalveld in de waagschaal te stellen”, weet het Limburgs Dagblad. „Doorgaans zijn de voetballende vrouwen wat aan de potige kant waarbij men aan de deinende borsten (waar de meisjes overigens zelf geen last van hebben) en de forse benen op het voetbalveld even moet wennen.” Maar, niet onbelangrijk: „Verloofdes en vrienden stemmen in de meeste gevallen ook in met de vrijetijdsbesteding van hun wederhelft.”

„Pfff”, zucht ze nijdig. „Wat antiek zeg.”

„Ach”, reageert Versprille later gelaten. ,,Ik liet liever mijn voeten spreken.” De afrekening vond plaats op 3 april 1971, in Den Briel, waar Oranje het opnam tegen de redactie van tijdschrift Panorama. Na een 3-3 gelijkspel werd het mannenbolwerk verslagen op penalty’s.

„Ik hoorde soms: wat moet je met die manwijven?”, zegt Korsuize. „Maar geloof me: er waren er bij die konden wedijveren met Brigitte Bardot.” En hoe badinerend er ook over Oranje werd gedaan – ook in het Polygoonjournaal – de toestroom bleef groeien. „Ze kwamen van alle kanten: Helmond, Nijmegen, Winterswijk en zelfs Winschoten.”

„Ik ben een beul voor de meisjes”, zei coach Robert Verbruggen in De Telegraaf. „Als we niet op het veld mochten, trainden we in een boomgaard”, weet mijn moeder nog. „Dan trokken we sprintjes tussen de appelbomen. En op zaterdag kregen we conditietraining in de duinen. Dan moest je door het mulle zand banjeren, met iemand op je rug.”

Kansloos verloren

Maar de offers werden niet voor niets gebracht: het WK in Mexico stond immers op het spel. Oranje strandde in de eerste kwalificatiewedstrijd, uit tegen Frankrijk. Korsuize: „Behoudens de aftrap zijn we niet over de middellijn geweest.” Mijn moeder: „We verloren kansloos met 4-0.”

Toen vervolgens de wakker geschrokken KNVB het team begon in te lijven, waren de dagen van ‘de wilde bond’ geteld. De meeste spelers van het eerste uur haakten af, zo ook mijn moeder: Zeist bleek toch wel heel ver weg. „Toen werd het ook opeens belangrijk hoe je er uitzag”, zegt Elly Voet. Aanvoerster Lia Rietdijk: „Die meiden met lange blonde haren zagen er waarschijnlijk flitsender uit dan wij.”

„We hadden zelfstandig moeten blijven”, treurt Korsuize. „Wij kregen ondersteuning van de Rotterdamse scheepswerf Verolme. We hadden alles zelf kunnen regelen, zonder de KNVB. Want ga maar na: we zijn nu 44 jaar verder, en afgezien van wat media-aandacht voor het WK is er nauwelijks iets veranderd. Damesvoetbal blijft het ondergeschoven kindje.”

Versprille, die destijds als enige Zeeuw doorstroomde, geeft hem gelijk. „Kijk maar naar de competitie: zodra een club als FC Twente moet bezuinigen, wordt het vrouwenteam geschrapt. Alle speelsters van Oranje moeten er bij werken. Dat is niet te vergelijken met Amerika, Japan of Scandinavië, waar iedereen een goede boterham kan verdienen. Bij ons gaat het nog steeds alleen om de eer.”

Na haar laatste voetbalinterland stortte mijn moeder zich vol overgave op tennis. De gedrevenheid en het spelinzicht bleven, maar toch. Het allerfanatiekst was (en is) ze thuis, op de bank voor de tv. Ik kan me geen wedstrijd van Ajax of het Nederlands elftal herinneren waarbij ze niet heeft gegild.