Bussemaker tornt niet aan beleid Zijlstra

Minister Bussemaker schiet een paar bedreigde instellingen te hulp, maar schuift grote beslissingen door naar een volgend kabinet.

Het Metropole Orkest krijgt vanaf 2017 structureel subsidie van Bussemaker.
Het Metropole Orkest krijgt vanaf 2017 structureel subsidie van Bussemaker. Foto Maarten Hartman

Wel een aantal bedreigde instellingen van naam en faam als het Metropole Orkest en het Tropenmuseum een toekomst geven in het cultuursubsidiestelsel, maar geen ingrijpende wijzigingen. En zeker geen grote sommen geld voor de kunstsector om de bezuinigingen waarmee haar voorganger Halbe Zijlstra (VVD) culturele instellingen trof in de volgende subsidieperiode te verzachten. Dat is de eenvoudigste samenvatting van het cultuurbeleid dat minister Jet Bussemaker (PvdA) neerzet voor de volgende subsidieperiode (2017-2020) in haar gisteren verschenen uitgangspuntennota.

De 18,6 miljoen extra investeringen die ze inboekt lijkt geweldig nieuws voor de culturele sector, maar op een bezuiniging van 200 miljoen euro is het een schamel bedrag dat ze creatief bij elkaar gesprokkeld heeft op haar eigen begroting. Een politieke strijd is er niet voor nodig.

Veel speelruimte had ze ook niet. Het regeerakkoord van kabinet-Rutte 2 sluit een verhoging van het cultuurbudget uit. Coalitiepartner VVD is zeer tevreden over de hervormingen die zijn huidige fractievoorzitter Zijlstra als staatssecretaris heeft doorgevoerd en zijn drang om culturele instellingen ondernemender te maken. Ze vallen niet massaal om, dus is het beleid een succes.

Bussemaker sluit niet haar ogen voor de ingrijpende gevolgen die de bezuinigingen hebben. Met de rijksmusea gaat het bijna allemaal goed, maar veel orkesten, dans- en theatergezelschappen en beeldendekunstinstellingen hebben het zwaar. Ze teren ondanks reorganisaties in op hun reserves en hebben de teruggang in subsidies onvoldoende kunnen compenseren met toenemende eigen inkomsten. Ze beseft dat acteurs, musici en kunstenaars vaak het kind van de rekening zijn geworden.

Bussemaker wil rust creëren, vooral ook omdat de culturele instellingen de wereld om zich heen snel zien veranderen. De Raad voor Cultuur stelde in zijn advies aan de minister in april dat door snel veranderende voorkeuren van het publiek vooral de traditionele kunststromingen het moeilijk hebben. Steden hebben een drang zich te profileren met een eigen cultuurbeleid, terwijl ook kunst globaliseert en digitaliseert. Nieuwe verdienmodellen zijn nodig, maar nog niet gevonden.

De minister geeft culturele instellingen daarom meer ruimte om nieuwe wegen te zoeken. De subsidiecriteria worden minder economisch gedreven. Zo zal de eigen inkomstennorm niet verder oplopen, wat het voor instellingen mogelijk maakt om risicovollere experimenten uit te voeren die misschien niet meteen veel geld opleveren maar op den duur wel nieuw publiek.

Het moet volgens Bussemaker in eerste instantie weer gaan om ‘de culturele waarde’, en pas daarna over maatschappelijk of economisch nut. Ook hoeven de instellingen niet allemaal „door hetzelfde hoepeltje te springen”. Dus wel allemaal aan educatie doen, maar het hoeft niet allemaal voor scholieren te zijn. Voor ouderen of andere doelgroepen is ook goed.

Aan vergezichten waagt Bussemaker zich amper. De raad stelde in zijn advies dat het cultuurbeleid in dat nieuwe speelveld te veel gericht is op individuele instellingen. Lokale overheden laten hun cultuurbeleid afhangen van landelijke besluiten om instellingen meer of minder subsidie te geven. Daarom wilde de raad vanaf 2020 de volgorde in de besluitvorming omdraaien. Eerst moeten stedelijke regio’s plannen indienen bij het Rijk, daarna moet het Rijk beslissen of het als medefinancier optreedt.

Bussemaker reageerde met een resoluut ‘nee’ op dit plan. Ze wil de landelijke regie niet opgeven en het budget ook niet zomaar deels naar steden of regio’s verschuiven, zoals sommige wethouders bepleiten. Toch valt in haar brief nu een voorzichtige belangstelling te bespeuren. Op de lange termijn weet ook de minister niet of het huidige stelsel houdbaar is. Ze wil de komende jaren vooral verder praten. Met wethouders, culturele instellingen, opleidingen, andere betrokkenen. Die dialoog heeft ze hersteld, nadat door een soms neerbuigende toon de verhouding tussen politiek en kunstwereld was verstoord. Dat lijkt met de waardering die ze in deze nota voor kunstenaars en hun noden toont, wel weer voorbij.