Bussemaker geeft kunst en cultuur weer ruimte en adem

Het Metropole Orkest is gered, met een structurele subsidie van 3 miljoen euro per jaar. Niet voor niets trekt minister Bussemaker (Cultuur, PvdA) er nadrukkelijk geld voor uit in Ruimte voor cultuur, haar brief aan de Kamer over het cultuurbeleid in de periode 2017-2020. Zij kent het culturele veld. Zij beseft dat dit orkest hét symbool werd voor de botte bijl van Halbe Zijlstra (VVD), voormalig staatssecretaris voor Cultuur, die in 2012 voor kabinet-Rutte I de bezuinigingen op de kunst- en cultuursector vorm gaf. Ook voor het Metropole Orkest had hij geen geld over. Terwijl het orkest floreert, een breed publiek bedient en internationaal zo gerenommeerd is dat wereldsterren het om samenwerking vragen. En dat zouden we kwijtraken? Met deze ingreep werd Zijlstra de staatssecretaris tégen cultuur.

Wat direct opvalt in Bussemakers brief is de toon. Die is niet laatdunkend, maar beantwoordt aan het vanzelfsprekend belang van de sector. De lijn is: zo veel bezuinigen gaat dus niet. In gesprek met deze krant trok Bussemaker de vergelijking met Baron van Münchhausen die zich redde door zich aan zijn eigen haren uit het moeras te trekken. Dat beeld klopt. Instellingen overleefden met kunst- en vliegwerk, vooral doordat kunstenaars nogal eens onderbetaald of voor niets willen werken. Met gemiddeld financieel positief resultaat. Maar het gaat niet aan om de bevlogenheid van kunstenaars tégen hen te gebruiken. De vaststelling dat die rigoureuze bezuinigingen dus best konden, is onheus. Er werd bijna overal ingeteerd. Er werd gekozen voor publieksbehagen. Stilstand dreigt, terwijl bloei afhankelijk is van risico en experiment. Van onbegrepen zijn, zelfs. Publikumsbeschimpfung gebeurt nooit zomaar.

Tussen de regels van Bussemakers brief klinkt dat cultuursubsidie geen geschenk is, maar een recht. Het recht van het publiek dat belasting betaalt en dat prijs stelt op kunst en cultuur. Wat dat betreft kan er nog wel wat meer worden rechtgebreid.

Zijlstra’s inzet was een bezuiniging met ongeveer 20 procent, wat concreet neerkwam op jaarlijks 200 miljoen euro. Bussemaker draait lang niet alles terug maar ondervangt de eerste onevenredige klappen. Ze kiest voor de toekomst. Voor jeugdgezelschappen, talentontwikkeling en de postacademische kunstacademies voor de jonge kunstenaar met bewezen talent. Ook op educatie wordt ingezet. Daarbij zou het schoolvak ckv (culturele en kunstzinnige vorming) wel eens minder vrijblijvend gemaakt kunnen worden – het publiek van de toekomst zit immers nu op school.

De minister trekt voor dit alles jaarlijks 18,6 miljoen euro uit. Dat is een luttel bedrag op het totaal. Deze specifieke bezuinigingen waren kippendrift. Ze leverden weinig op en ze maakten veel kapot.