Weg met het pessimisme. Lang leve de vooruitgang

In een geologische flits werden we heerser over de natuur. Onze rijkdom is een overwinning op de armoede, meent Jaffe Vink.

Wij leven in een nieuw tijdperk. Na honderdduizenden jaren is de dagelijkse vraag niet meer: hoe komen we aan voedsel? De vraag is nu: wat zullen we vanavond eten? Na honderdduizenden jaren onder een boom of in een hut, slapen we nu in een comfortabel bed, naast een badkamer met warm en koud water, een keuken met een volle koelkast en een iPhone onder handbereik.

Het was een lange weg van de nomadische oertijd tot aan Silicon Valley, van de eerste landbouw tot aan de moderne supermarkt, maar nu hebben we de droom van onze voorouders gerealiseerd. De vooruitgang is gekomen. We leven langer en gezonder in een wereld die rijker en briljanter is dan ooit.

Tegelijk is de angst binnengeslopen. We wantrouwen ons voedsel, we vrezen het klimaat, we zijn bezorgd over bevolkingsgroei en verontrust over het milieu.

Waar komt die angst vandaan? Uit NRC Handelsblad van dinsdag 31 augustus 1971. ‘Ramp bedreigt wereld’, kopte de krant op basis van een conceptrapport van de Club van Rome. „De enige vraag is nog of de catastrofe wordt veroorzaakt door honger, door uitputting van essentiële grondstoffen of door de vervuiling van de aarde.”

Alle media nemen het over. Het pessimisme van ellende en ondergang verspreidt zich als een dikke mist. Als we de vooruitgang niet stoppen, betekent dat volgens de jonge flamboyante Hans van Mierlo de ‘Endlösung voor de mensheid’. Het pessimisme nestelde zich in alle poriën. „Langzaam sterft de aarde en wordt het onvoorstelbare, het einde van het leven zelf, toch voorstelbaar”, sprak koningin Beatrix in een kerstrede.

Volgens de Club van Rome moeten we keuzes maken. Voedselhulp aan de hongerlijders vergroot het probleem van de overbevolking. India: onbehandelbaar.

Ik kies voor de Amerikaanse landbouwkundige Norman Borlaug, ontwikkelaar van een tarwesoort die beter bestand is tegen ziektes en meer opbrengst heeft. Daardoor werd Pakistan in 1968 zelfvoorzienend en India een paar jaar later zelfs exporteur van voedsel. Borlaug redde zo honderden miljoenen mensen van de hongerdood en kreeg in 1970 de Nobelprijs voor de Vrede, omdat hij „in de dramatische wedloop tussen bevolkingsexplosie en voedselproductie het pessimisme veranderde in optimisme”. Toch kent niemand Norman Borlaug en iedereen de Club van Rome. Wat is de bron van dit pessimisme?

Vanaf het begin der tijden leefden we ín de natuur en nu zijn we – geologisch gezien in een flits van een seconde – heerser óver de natuur geworden. Het is een ontzagwekkende verandering. Hoewel we deze zelf teweeg brachten, op de weg van de vooruitgang, is het een verandering die ons schokte. We zijn bang en verontrust. In die onderstroom van onzekerheid gedijen de sombere voorspellingen.

De aarde ontstond vier en een half miljard jaar geleden. De ontwikkeling van aap tot mens duurde miljoenen jaren. Toen kwam de homo sapiens, onze verre voorouder, zo’n 200.000 jaar geleden. Het was de nomadische oertijd.

De mens was opgestaan; dat was een wonder. Zijn brein groeide. Zijn vacht werd een huid en zijn woorden waren de eerste woorden. Maar verder gebeurde er weinig. De nomaden joegen, verzamelden bessen en trokken van hot naar her. De omstandigheden waren niet paradijselijk. Bij het zwerven werden de ouderen, zieken en kreupelen aan hun lot overgelaten en als er te veel kinderen werden geboren, trof hun hetzelfde lot. We weten niet of deze nomaden gelukkig waren, maar er lijkt weinig reden om deze oertijd te idealiseren. Toen kwam de tijd van landbouw en veeteelt, zo’n tienduizend jaar geleden.

Het is nauwelijks voor te stellen: tweehonderdduizend jaar jagen en verzamelen – en dan pas komt iemand op het idee om een knol te kweken, het begin van de landbouw. En een geit te houden. Het begin van de veeteelt.

Intussen komt Mesopotamië in zicht. De Griekse Oudheid. Het Romeinse Rijk. Het begin van onze jaartelling. Er leven ongeveer 250 miljoen mensen op aarde. Het einde van het Romeinse Rijk. De middeleeuwen. Maar dan, vanaf ongeveer 1600, verandert ons denken fundamenteel. En misschien is dat wel een even groot wonder als de groei van ons brein in de voortijd: de opkomst van de moderne natuurwetenschap. Van Galilei tot Newton. Deze pioniers lukt het om, met behulp van de wiskunde, de werking van de natuur te doorgronden. In de woorden van Descartes: de mens wordt heer en meester over de natuur.

De natuurwetenschap vindt vervolgens – het duurt twee eeuwen – haar toepassing in de techniek: de stoommachine wordt de grondslag van de Industriële Revolutie. En wanneer Edison in 1879 de uitvinding van de gloeilamp verbetert en op oudejaarsavond een park feestelijk verlicht met tientallen gloeilampen, is het tijdperk van de duisternis voorbij.

We hebben wegen aangelegd, kanalen gegraven, land ontgonnen, de zee bedwongen, we hebben turf, kolen, olie en gas uit de aarde gewonnen, we hebben fabrieken gebouwd, industrieën, havens, vliegvelden, we hebben steden gebouwd, torens, wolkenkrabbers, metropolen – en daarbij de halve natuur in beslag genomen. Dat is het offer: de halve natuur. Maar tegelijk hebben we een nieuwe wereld gebouwd. Van Amsterdam tot New York. Van Rotterdam tot Shanghai.

We hebben armoede, honger en ziekte overwonnen. Vroeger was het leven voor verreweg de meeste mensen kort, onzeker en ellendig. Het gezicht van de dood werd getekend door cholera, tyfus, pest, tuberculose, malaria, difterie, mazelen, pokken, kinkhoest en kraamvrouwenkoorts – en niet te vergeten: griep en diarree.

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw komt hierin verandering. Dankzij voldoende basisvoedsel, hygiëne en geneeskunde verdubbelt de levensverwachting binnen enkele generaties. We leven langer en gezonder.

Deze mondiale omwenteling heeft twee gevolgen – het zijn de twee grote feiten van onze tijd. Ten eerste: een explosieve groei van de wereldbevolking. In 1800 zijn er één miljard mensen. Nu: zeven miljard. Tweehonderdduizend jaar gebeurt er vrijwel niks en dan in tweehonderd jaar van 1 naar 7 miljard! Straks: 9-10 miljard. Dan stabilisering en daarna krimp.

Ten tweede: een razendsnelle verstedelijking. In 1800 woont 3 procent van de mensen in de stad. Nu is dat al meer dan 50 procent – en het gaat naar 75 procent.

Het is een overrompelende tijd. Vanaf onheuglijke eeuwen leefden we ín de natuur – we waren nomaden, we waren boeren – en nu beleven we de overgang van de natuur naar de stad: de eenentwintigste-eeuwse mens zal een stadsmens zijn. Het is een metamorfose van ons leven.

Het bange pessimisme verduisterde het zicht op de perspectieven van deze nieuwe wereld. We hebben het ontzagwekkende van deze verandering niet beseft, we hebben het niet benoemd – we hadden er geen woorden voor. Geologen hebben er wel een woord voor: het Antropoceen. ‘Antropos’ is Grieks voor mens: we leven nu in het tijdperk van de mens.

De aarde zag er in 1800 – met één miljard bewoners, merendeels boeren – anders uit dan de aarde waarop binnenkort tien miljard mensen leven. Het is aan het menselijk vernuft om de toekomst van het Antropoceen gestalte te geven.

Nomaden – boeren – stedelingen. Het is een paradigmawisseling, een verandering van ons wereldbeeld. Het debat hierover wordt het belangrijkste debat van de komende decennia, want de verandering is groot en de angst zit diep. Het wordt het debat over onze tijd, het tijdperk van de mens.