We moesten iets doen

Oud-politici en één onderzoeker spelen morgenavond het Kamerdebat na waarbij werd besloten Nederlandse blauwhelmen naar Joegoslavië te sturen. De opmaat naar het drama-Srebrenica in vier bedrijven.

Minister Hans van den Broek in juli 1991 voor aanvang van overleg van de toenmalige Europese Gemeenschap over Joegoslavië. Nederland bekleedde op dat moment het EG-voorzitterschap.
Minister Hans van den Broek in juli 1991 voor aanvang van overleg van de toenmalige Europese Gemeenschap over Joegoslavië. Nederland bekleedde op dat moment het EG-voorzitterschap. Foto Toussaint Kluiters/ANP

Op 11 juli aanstaande is het twintig jaar geleden dat de door Nederlandse militairen beschermde moslimenclave Srebrenica in Bosnië onder de voet werd gelopen door Bosnisch-Servische militairen. Op deze actie volgde de dagen daarna een massaslachting onder minstens 7.500 jongens en mannen. Het is grootste genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Srebrenica staat voor de zoveelste dramatische wending in de Joegoslavische burgeroorlog die vanaf 1990 woedde en waar het buitenland zich gaandeweg steeds meer mee was gaan bemoeien. Vandaar de aanwezigheid van de Nederlandse militairen in het gebied rondom Srebrenica. De zogeheten blauwhelmen opereerden als vredestroepen in opdracht van de Verenigde Naties.

Nog altijd is er discussie over de vraag of de militairen van Dutchbat de inname van Srebrenica en de moordpartijen hadden kunnen voorkomen. Maar hoe raakte Nederland destijds verzeild in de Joegoslavische burgeroorlog? Waarom stond Nederland in internationaal opzicht vooraan om in te grijpen?

Tweede Kamerleden van toen, komen morgenavond onder leiding van oud-Tweede Kamervoorzitter Wim Deetman in het Amsterdamse Frascati Theater bij elkaar om het debat van destijds in het parlement na te spelen en om terug te blikken. De opmaat naar het drama-Srebrenica in vier bedrijven.

1991 Wat hebben we er te zoeken?

Opeens bleek het een beetje ‘onze’ oorlog: de heviger wordende burgeroorlog in Joegoslavië – dat steeds vaker werd aangeduid als ‘voormalig Joegoslavië’. Het was juli 1991 en Nederland bekleedde vanaf die maand voor zes maanden het roulerend voorzitterschap van wat toen de Europese Gemeenschap heette en die nog maar uit twaalf landen bestond.

Een week daarvoor hadden de Joegoslavische deelrepublieken Kroatië en Slovenië hun onafhankelijkheid aangekondigd, met als gevolg opgelaaide gewelddadige conflicten tussen de verschillende bevolkingsgroepen. ‘Onze’ minister Hans van den Broek (Buitenlandse Zaken, CDA) leidde namens Europa de pogingen om het conflict te dempen.

De Tweede Kamer reageerde vooral instemmend. „Lof voor de minister voor zijn fysieke en intellectuele hoogstandjes van de laatste dagen om bij te dragen tot het vinden van mogelijke oplossingen voor de conflictsituatie in Joegoslavië”, sprak de woordvoerder van de VVD, Jan Dirk Blaauw tijdens één van de eerste vergaderingen in de Tweede Kamer over de kwestie Joegoslavië.

„Ik complimenteer de minister van Buitenlandse Zaken heel nadrukkelijk”, zei PvdA-Tweede Kamerlid Maarten van Traa bij dezelfde gelegenheid. Nederland was bij uitstek geschikt als conflictbemiddelaar, meende de woordvoerder van het Gereformeerd Politiek Verbond, Eimert van Middelkoop. Want was „evenwichtspolitiek” niet een „vertrouwde rol” voor Nederland?

Tot zover het diplomatieke spoor. Maar als dat nu zou doodlopen? De Kamer wist nog niet wat er dan diende te gebeuren. Waarnemers sturen, scheidingstroepen wellicht, een vredesmacht van de VN, van alles werd geopperd, maar eerst moest de minister met zijn Europese collega’s maar weer eens aan de slag.

In 2002 concludeerde het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie na een onderzoek van vijf jaar naar de gebeurtenissen is Srebenica: „Van den Broek was even van Europa, maar tegelijkertijd ook heel erg van ons, zo kan men de houding typeren. Daarmee sloop een gebrek aan kritisch vermogen in de opstelling van het parlement tegenover de regering.”

1992 We moeten wat doen!

„Barbaars”, „onacceptabel”, „schandalig”, „aanranding van de publieke gerechtigheid”. Er vielen op 12 augustus 1992 vele grote woorden in een commissiezaal in het voor de rest nagenoeg lege gebouw van de Tweede Kamer. De buitenlandspecialisten hadden hun reces onderbroken om de danig geëscaleerde situatie in Joegoslavië te bespreken. Kort daarvoor waren de eerste berichten opgedoken over het bestaan van concentratiekampen, even later gevolgd door televisiebeelden van uitgemergelde gevangenen achter prikkeldraad.

De internationale gemeenschap was verontwaardigd. Vanuit Washington liet de Amerikaanse president George W. H. Bush weten het sturen van Amerikaanse troepen naar Bosnië niet uit te sluiten.

De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie, Hans van den Broek en Relus ter Beek zinspeelden in een brief aan de Tweede Kamer op stevige maatregelen: humanitaire hulpverlening mogelijk maken met militaire middelen, toegang verschaffen tot interneringskampen, instellen van veilige gebieden, zogeheten safe havens om vluchtelingen op te vangen en te beschermen.

Steun voor actie was er in de Tweede Kamer van rechts tot links. De morele verontwaardiging had grote vormen aangenomen. We moeten wat doen!

In het rapport van het Nederland Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) werd tien jaar later uitvoerig stilgestaan bij de houding van Nederlandse politici die, aldus de onderzoekers, opvallend veel verwezen naar eigen (indirecte) ervaringen met de Tweede Wereldoorlog. „Worstelen met Joegoslavië werd voor Nederland steeds meer: worstelen met zich zelf,” aldus de NIOD-studie.

1993 We gaan er op af!

Eind november 1993 was het uiteindelijk zover. Het kabinet Lubbers-Kok kondigde aan voor een periode van anderhalf jaar 1.100 extra militairen voor Bosnië beschikbaar stellen als onderdeel van een VN-troepenmacht.

Waar het eerste bataljon van de luchtmobiele brigade precies zou worden gelegerd, stond op dat moment nog niet vast. Het doel was allereerst om de doorgang van hulpkonvooien voor de bevolking veilig te stellen. Voorts ging het over het beschermen van veilige gebieden.

Over het gebruik maken van geweld merkte minister Ter Beek (Defensie, PvdA) in een brief aan de Tweede Kamer op dat dit als „uiterste middel” was toegestaan „in het geval van zelfverdediging en indien de taakuitvoering van een VN-eenheid met geweld wordt belemmerd.”

In de Tweede Kamer was overweldigende steun voor dit voornemen hoewel er bij Kamerleden wel vragen waren over de legering – voorkomen diende te worden dat het bataljon zou worden opgesplitst – en de mate van bewapening. Waarom werden de pantservoertuigen van lichtere bewapening voorzien?

En dan was er nog de twijfel of de Nederlandse militairen wel echt voor optimale veiligheid konden zorgen. Bijvoorbeeld bij het Kamerlid Van Middelkoop (GPV) die naar wat later zou blijken met voorspellende waarde stelde: „Hoe groot is de kans dat ter bescherming van safe areas luchtsteun wordt gegeven?” Het kabinet stelde de Kamer gerust en wees onder andere op de afspraken met de VN.

Maar de conclusie van het NIOD luidde in 2002: „Nederland stelde in feite een Luchtmobiel Bataljon (Dutchbat) zonder voorwaarden beschikbaar. Mede daardoor kon Dutchbat de bestemming Srebrenica krijgen, waartoe andere landen met kracht van argumenten niet bereid waren.”

1995 Wat hebben we er nog te zoeken?

Het werd een moeizame anderhalf jaar voor de Nederlandse militairen. Gebonden aan de strenge regels van het VN-mandaat zagen zij lijdzaam toe hoe bestandsafspraken werden geschonden. Tegelijkertijd werd de Dutchbatters het werken steeds moeilijker gemaakt. Op 10 mei 1995 schreef minister Ter Beek aan de Kamer dat de Bosnische-Serviërs al 75 dagen lang geen brandstofkonvooi toelieten. „De Nederlandse VN-militairen aldaar voeren patrouilles al langere tijd louter te voet uit.”

In de Tweede kamer klonken sombere analyses. „Erosie is alom aanwezig. Dat is allemaal terug te leiden op de afwezigheid van internationaal leiderschap”, zei de VVD’er Blaauw. Gerrit Valk (PvdA) stelde: „Het is een oefening in onzekerheid, die wel heel schril afsteekt bij eerdere vredesoperaties.”

Iedereen keek reikhalzend uit naar juli wanneer Dutchbat volgens zou worden vervangen door militairen uit een ander land. Maar door wie? Niemand had zich nog gemeld. Van terugtrekking zonder opvolging kon geen sprake zijn, besloot de Kamer.

Het probleem werd uiteindelijk op 11 juli voor Nederland ‘opgelost’ toen Bosnische Serviërs de enclave binnenvielen. Dutchbat, verwijzend naar hun beperkte mandaat en tevergeefs vragend om luchtsteun, zag het gebeuren. In Den Haag meldde minister Voorhoeve (Defensie, VVD): „Er heeft zich vanmiddag een ramp van grote omvang voltrokken met vergaande consequenties. De enclave Srebrenica is gevallen, is onder de voet gelopen door de Serviërs.”

Was het te voorzien geweest? Niet direct in 1993, maar wel later toen er verontrustende signalen binnenkwamen, schreef het NIOD in 2002 en concludeerde dan ook: „De brede kring van betrokkenen bij de vorming van dit beleid en in het bijzonder de protagonisten daarvan, hebben zo wel een grote verantwoordelijkheid op zich geladen, door de mogelijkheden van een uit de hand lopen van het gedrag van de strijdende partijen te veronachtzamen.”