Opinie

Underdogs

De afgelopen dagen viel er voor voetbal- en tennisliefhebbers veel te genieten op tv. De beste beoefenaren van deze sporten – of ze nu Messi, Djokovic of Serena Williams heetten – konden urenlang bewonderd worden. We vinden dat normaal, maar ik blijf het als een voorrecht beschouwen, omdat ik me nog goed de tijd kan herinneren dat je van belangrijke sporttoernooien weinig te zien kreeg. Aan grote topsporters als de voetballers Di Stefano en Pele en de tennissers Laver en Rosewall bewaar ik daarom nog maar vage herinneringen.

Vergelijk dat eens met de voorbije dagen, toen we de wereldtop in actie konden zien op Roland Garros en in de finale van de Champions League. Schitterende topsport, al leek er tot gisteren één smetje aan te kleven: de underdog bleef de underdog; jammer, want kijksporten zijn op hun leukst als de underdog, tegen alle verwachtingen in, de zege grijpt.

Het scenario werd al te voorspelbaar, zeker op Roland Garros, waar Novak Djokovic ogenschijnlijk onstuitbaar naar de eindzege marcheerde via een afgetekende overwinning op Nadal en een halve finale tegen Murray. Zijn tegenstander? Stan Wawrinka die in de andere halve finale van Tsonga had gewonnen.

Duidelijk favoriet voor de eindzege: Djokovic, nummer een op de wereldranglijst. Na de eerste set – een verdiende 6-4 voor Djokovic – wisten we het in onze oneindige tenniswijsheid wel zeker: Wawrinka ging eraan. Zelfs toen Wawrinka met goed spel de tweede set had gewonnen, bleef ik in Djokovic geloven.

Underdogs mogen soms even „in de wedstrijd terugkomen”, omdat de upperdog ook weleens wil bijkomen van alle inspanningen, maar daarna wordt de natuurlijke hiërarchie meestal snel hersteld.

Ik moest denken aan de avond tevoren, de boeiende finale van de Champions League, toen het er even naar uit had gezien dat de mindere ploeg, Juventus, zijn wil zou opleggen aan de favoriet, FC Barcelona. Even! Want de wereldklasse van Messi, Suarez en Neymar gaf wat wereldklasse meestal geeft: de doorslag.

Wawrinka dacht er anders over – en terecht. Waren we soms vergeten hoe hij Federer in de kwartfinales in drie sets aan de kant had gezet? Of hadden we toen gedacht dat het vooral aan Federer lag, die immers een dagje ouder werd?

Kennelijk. Want Djokovic, die nog in de bloei van zijn tennisleven is, kreeg van Wawrinka dezelfde klappen om zijn oren die Federer fataal waren geworden. Messcherpe backhands, staalharde forehands, een vrijwel nooit falende service. Wawrinka, de laatbloeier, inmiddels dertig jaar, die pas twee jaar geleden zijn eerste grote titel veroverde. De tv-commentator herinnerde eraan dat ‘onze’ Sjeng Schalken tien jaar geleden nog in vijf sets van hem gewonnen had in een Davis Cup-match. Ik zag Sjeng thuis voor de buis trots knikken naar zijn echtgenote: „Weet je nog?”

Voor het Nederlands voetbalelftal was het prettig dat Djokovic verloor. Nu waren ze niet meer de enigen die de afgelopen dagen van een underdog verloren - ze hadden goed gezelschap. Te goed, als je het mij vraagt, want wie durft een geweldenaar als Djokovic te vergelijken met dat lekkende mandje dat de Nederlandse achterhoede wordt genoemd? Bruno Martins Indie een soort Djokovic? Alsof het Amerikaanse voetbalelftal de klasse had van Wawrinka.

Hiddink mocht het willen. Hij mag (erg) blij zijn als hij in Letland zijn hachje redt.