Origineel zijn? Onzin

Volgens dichter Kenneth Goldsmith is er geen beter gedicht dan Twitter. Deze week pleit hij op het festival Poetry International voor uncreative writing: „In dit digitale tijperk moeten we plagiaat omarmen.”

Kenneth Goldsmith op een tentoonstelling van zijn poëzie in kunstcentrum Mercer Union in Toronto, in 2009. Foto Charla Jones / Globe and Mail
Kenneth Goldsmith op een tentoonstelling van zijn poëzie in kunstcentrum Mercer Union in Toronto, in 2009. Foto Charla Jones / Globe and Mail

Dichter Kenneth Goldmith is ten strijde getrokken. Tegen originaliteit. „We moeten erkennen dat we niet origineel zijn. Geef gewoon toe dat je steelt!”

Dat leert hij ook aan zijn studenten bij de sectie contemporary writing aan de Universiteit van Pennsylvania. „We kunnen studenten vertellen dat ze niet mogen knippen en plakken, maar we kunnen ook accepteren dat ze dat wél doen, om betere fraudeurs van ze te maken. Om te beginnen moet je dan weten waarom je iets steelt: waarom heb je dit gestolen, terwijl je ook iets beters had kunnen stelen? Op welke manier draagt de gestolen tekst bij aan je eigen expressiviteit?”

In de beeldende kunst wordt plagiaat beloond. Met grote tentoonstellingen in New Yorkse musea als het Museum of Modern Art (MoMA) of het Guggenheim. Kijk maar naar de ‘frauduleuze provocaties’ van Jeff Koons of naar de foto’s van reclamefoto’s van de ‘Marlboro-cowboy’ van Richard Prince.

Maar dat gaat niet altijd geruisloos. Dat bleek onlangs in België, toen een schilderij van Luc Tuymans overeenkwam met een beeld van fotografe Katrijn van Giel. Toch ging het in deze zaak niet om het plagiëren op zichzelf, maar om het niet informeren en honoreren van de fotografe.

In de literaire wereld daarentegen is het leentjebuur spelen bij andermans werk taboe. Quintin Rowan, die onder het pseudoniem Q.R. Markham debuteerde met Assasin of Secrets (2011), werd aan het kruis genageld omdat hij hele passages uit onder meer de James Bond-boeken van John Gardner had overgenomen, zonder bronvermelding. Voor de Nederlandse rechter meende Saskia Noort dat een collega-thrillerschrijfster zich de witte wijn en zwarte jurkjes uit haar werk had toegeëigend.

Maar we zitten middenin een literaire revolutie, volgens Kenneth Goldsmith (1961), deze week een van de hoofdgasten op het festival Poetry International in Rotterdam. „In dit digitale tijdperk moeten we plagiaat omarmen”, zegt hij via Skype. Goldsmith is huisdichter van het MoMA in New York en schrijfdocent. Op het festival zal hij pleiten voor uncreative writing. Volgens hem loopt de literatuur decennia achter en moet dringend naar de 21ste eeuw worden gebracht.

Zijn poëzie is er naar eigen zeggen niet zozeer om te worden gelezen, maar toch bovenal om besproken te worden. Neem een bundel als Soliloguy (2001), waarin hij een week lang ieder woord dat hij uitsprak, optekende. Of de bundel Day (2003), waarvoor hij ieder woord inclusief advertentieteksten uit een editie van The New York Times overtypte. Of The Weather (2005), een transcript van alle weerberichten die een heel jaar op een nieuwszender werden uitgezonden. Goldsmith draagt zijn (gortdroge) teksten ook nog eens op zeer geanimeerde wijze voor op het podium, want ‘poëzie is overal, we moeten haar ons alleen eigen zien te maken.’

Op uw Facebookpagina schrijft u: ‘Internet maakt literatuur kapot en dat is maar goed ook’. Onheilspellend.

„Internet vernietigt saaie, voorspelbare fictie en de verheerlijking van auteurs, het herdefinieert auteurschap. Mensen lezen veel meer dan, zeg, dertig jaar geleden. We kijken de hele dag op Facebook en Twitter. We lezen niet minder, maar juist méér literatuur. Wat mij betreft is er geen beter gedicht dan Twitter. Ik wil tot uitdrukking brengen hoe het is om nú te leven. De beste manier om dat te doen is om de taal van deze tijd vast te leggen.”

In de jaren zestig maakten dichters ook al readymades en collages. Moeten dichters wéér gaan knippen en plakken?

„Ik heb nooit beweerd dat wat ik doe vernieuwend is, alles wat ik doe is al eerder gedaan. Ik ben geïnteresseerd in een vorm van schrijven die vervlochten is met technologie. We hebben via internet toegang tot informatie in alle talen van de wereld en alles kan gekopieerd en geplakt worden. Daar moeten we gebruik van maken.”

U las tijdens een lezing op Brown University het autopsierapport van Michael Brown voor, die in Ferguson was doodgeschoten door een blanke politieagent. U noemde het een gedicht. Was u verrast door de vele verontwaardigde en emotionele reacties online?

„Mijn werk is als een spiegel en die spreekt voor zichzelf. Het enige wat ik doe is de spiegel omhoog houden. Op de meeste poëzie komt geen reactie, dus dat ‘The body of Michael Brown’ niet onopgemerkt is gebleven, was niet gepland. Dit gedicht is van waarde omdat het een belangrijk cultureel document is. De meeste schrijvers doen te veel hun best om emotionele reacties te bewerkstelligen. Het enige wat je moet doen is materiaal dat voorhanden is omhoog houden, dan krijg je wellicht een reactie die je niet verwachtte.”

U schrijft in uw essay ‘Why Conceptual Writing? Why now?’ dat de selectie van de kunstenaar zijn gevoel voor smaak toont. Wat vertelt uw keuze voor de tekst over Michael Brown over uw smaak?

„Hoewel ik het materiaal nauwelijks bewerkt heb, is het toch een autobiografisch document: dit document zegt iets over waar ik mij als dichter in mijn leven mee bezighoud.”

Objectief schrijven gaat niet zonder subjectieve ingrepen. Welke tekst selecteer je, neem je witregels en lettertype over? Zou ‘uncreative writing’ niet beter door een computer kunnen worden uitgevoerd?

„Schrijven staat voor mij gelijk aan programmeren. Je creëert een machine waar je taal in stopt, maar iemand moet die machine maken en beslissen wélke taal erin wordt gestopt – subjectieve keuzes. Ik vind het aannemelijk dat computers in de toekomst gaan schrijven, maar waarschijnlijk ontwikkelen die computers ook weer voorkeuren. Uiteindelijk is subjectiviteit misschien wel onvermijdelijk.”

En dan bent u ook nog zo’n opvallende verschijning – u kleedt zich excentriek en u draagt de teksten expressief voor, wat de objectiviteit ook niet ten goede komt.

„Optreden is per definitie onnatuurlijk. Ik kies ervoor om nadrukkelijk níet mezelf te zijn op het podium. Ik draag bewust een opvallend modieus pak. Ik doe er alles aan om zo min mogelijk authentiek te zijn. Wat we ook doen – het is onmogelijk om interpretatie en creativiteit te vermijden. Daarom ben ik tegen creativiteit. We zijn al overmatig creatief; waarom zouden we proberen daar nog meer aan toe te voegen?”

En, welk gedicht gaat u voordragen op Poetry International?

„Ik lees een fragment voor uit mijn nieuwe bundel Capital, geïnspireerd op het onvoltooide Das Passagen-Werk van filosoof Walter Benjamin. Hij noteerde de teksten die volgens hem de basis vormden voor de 20ste-eeuwse cultuur in Parijs. De afgelopen tien jaar heb ik zijn methode gekopieerd en toegepast op New York. Ik heb de belangrijkste passages die in de 20ste eeuw over de cultuur van New York zijn geschreven, gekopieerd. De bundel beslaat meer dan duizend pagina’s, ik zal er tien minuten uit voordragen.”