Ode aan online zijn

Arjen van Veelen bekijkt elke week waarover wij ons opwinden op sociale media. Vandaag: een paar dagen zonder internet. „Verschrikkelijk.”

De Vlaamse schrijver David Van Reybrouck publiceerde een mooi mini-essay over de last van altijd maar online zijn. Hij was in z’n eentje op wandelvakantie, maar had z’n smartphone mee. Zat-ie alsnog steeds te facebooken, schreef hij in De Correspondent.

Herkenbaar, o ja, maar laten we het leven zonder internet niet romantiseren. Ik ben nu zelf sinds een paar dagen offline – het is verschrikkelijk, een isoleercel. Ik zit in een blokhut langs een bosrand ergens midden in Amerika. Voor een streepje ontvangst moet ik een half uur rijden. Cold turkey, blinde paniek.

Je moet eenzaamheid een kans geven, zei een vriend. Maar ik knal als een vlieg tegen het glas op zoek naar de buitenwereld, tik tik tik.

Wat ik geenszins mis is het surplus aan Facebook-ruis, Twitter-fitties, commotie over de uitspraak van ... (vul hier de recente #ophef in). Maar ik mis de wereld wel, en de mensen.

In de blokhut ligt een vergeelde krant, ik heb hem al twee keer verslonden, inclusief het weerbericht, als was het een liefdesbrief. Honger, rauwe bonen.

In het dichtstbijzijnde dorp heb ik een radiootje gekocht, om tenminste menselijke stemmen te kunnen horen, om te weten of het vrijdag is of maandag. Mijn Radio Oranje.

Offline zijn is gedoe. Bijvoorbeeld dat ik straks een stuk moet rijden om dit stukje te versturen, of dat als een slang me bijt, ik niemand kan whatsappen.

Maar het ergste is als zich iets moois voltrekt. Ik zag net een prachtige kolibrie, sur place voor mijn neus – maar als je schoonheid met niemand kan delen, wat is dan de lol?

Offline zijn is een locked in-syndrome: wel kunnen waarnemen, niks kunnen uiten. Binnenvetter bij gebrek aan beter. Claustrofobische horror. Dus ga je tegen dieren praten, kolibrie wat ben je mooi, hallo tof kikkertje, dag vreemd nachtvlindertje – of tegen jezelf. Hoi spiegel!

Van offline zijn word je een ongelofelijke narcist.

Waarom doe je het dan? Omdat ik hier schrijf aan een boek. En schrijven met internet aan is ondoenlijk. Offline zijn is een paardenmiddel dat werkt als een tierelier. Maar een paardenmiddel.

Het zijn ook vooral romanschrijvers die er voor pleiten. Zou het met z’n beroep te maken hebben, vroeg David Van Reybrouck zich af. Denk van wel. Typen in je up achter een computer met internet, dat is de kat op het spek binden. Hoor je ooit stratenmakers, chirurgen of straaljagerpiloten over een gebrek aan concentratie (‘Ik zit de hele tijd Facebook te checken tijdens de take off’)?

De mens is geschapen voor continue communicatie. Kuddedier wil contact. Altijd op internet is veel natuurlijker dan een roman schrijven, dat wil zeggen, jezelf opsluiten in de kerker van je eigen kop.

Ook niet-schrijvers dromen van stilte, maar hun daden bewijzen anders: hooguit monnik voor één minuut. Moeten schrijvers anderen aanpraten wat ze zichzelf aandoen?