Laat Amsterdam niet het Venetië van het Noorden worden

Martijn Meijer zag een gondel in de gracht en vond het geen gezicht. Als we zomaar elementen uit andere culturen inlijven, groeit de verwarring over wat echt Amsterdams is.

Illustratie Aart-Jan Venema

Een gondel in de gracht: het lijkt iets uit een droom. Zo een die je droomt met een zware Italiaanse maaltijd achter de kiezen. Maar een paar weken geleden zag ik toch echt een zwarte, Venetiaanse gondel in Amsterdam, met een vrouwelijke gondelier achterop. Op de bruggen stonden mensen stil en keken verwonderd hoe het gevaarte voorbijgleed.

Op dat moment ontwaakte de conservatief in mij: ik vond het geen gezicht. De gondel leek me een symbool van wat er mis is met Amsterdam – met alle grote Europese steden misschien. Elementen uit andere culturen, die daar een traditie kennen, worden hier lukraak ingelijfd, zonder dat er een verband is met de bestaande stadscultuur. Zo zien we de in de stad nu Engelse dubbeldekkers, Indiase riksja’s, Weense paardenkoetsen en de beruchte bierfietsen en segways rondrijden.

Soms slaan zulke elementen niet aan en dan verdwijnen ze weer. Of ze zijn succesvol en dan dreigen ze het bestaande te overwoekeren – zoals de groene halsbandparkieten die de Amsterdamse parken terroriseren. Of het nu om exotische vogels of gondels gaat, zulke verschijnselen passen niet in het stadsbeeld. Ze blijven vreemd afsteken tegen het vertrouwde - met name voor de Amsterdammers die kennis hebben over de plek waar ze leven. Alleen toeristen, die soms nauwelijks beseffen waar ze zijn, vermaken zich ermee.

Daar komt bij dat zo’n gondel, samen met al die andere vervoersmiddelen, ervoor zorgt dat de Amsterdamse binnenstad steeds drukker wordt. Op een mooie dag doen de nauwe straatjes en grachtjes in het centrum denken aan de dichtgeslibde aderen van iemand die op het punt staat een hartaanval te krijgen. Daar wordt dan ook veel over geklaagd, door bewoners, museumdirecteuren en lokale politici die vinden dat Amsterdam teveel op een pretpark begint te lijken.

Grote steden worden inwisselbaar

Wat minder vaak wordt opgemerkt, is dat al die gondels, dubbeldekkers, paardenkoetsen en riksja’s de cultuur van de hoofdstad niet verrijken, maar juist verarmen. Een cultuur die eindeloos elementen uit allerlei windstreken in zich opneemt, verliest namelijk haar identiteit. Grote steden worden op den duur inwisselbaar, als ze allemaal dezelfde culturele hutspot aanbieden. Bij de bewoners maar ook bij de bezoekers groeit de verwarring over wat nu ‘echt Amsterdams’ is en wat niet.

‘Het echte Amsterdam bestaat niet meer’, dat zeggen oudere Amsterdammers als ze in een weemoedige bui terugdenken aan de ‘gein’ die vroeger voor het opscheppen lag. Lang geleden zijn ze uit de Jordaan verhuisd naar Almere en verlangen nog dagelijks naar een Mokum dat niet meer bestaat. En misschien heeft het ‘echte Amsterdam’ wel nooit bestaan, behalve in een mythisch verleden. Want de stad verandert steeds met het voortschrijden van de tijd en valt nooit samen met het ideaalbeeld dat de (voormalige) Amsterdammer van haar koestert.

Het zou dus onzinnig zijn om te proberen de essentie van Amsterdam definitief vast te leggen. Wel moet het mogelijk zijn om met z’n allen een tijdelijk idee te vormen over wat echt Amsterdams is. Vervolgens kunnen we dan besluiten of gondels en bierfietsen, maar ook bijvoorbeeld prostitutie en coffeeshops daarbij horen. Wat in ieder geval blijft, is dat in Amsterdam niemand uitgesloten wordt. Als we gondels gaan weren, betekent dat niet dat Venetianen niet meer welkom zijn.

Het zou goed zijn als we democratisch zouden beslissen wat tot de cultuur van Amsterdam behoort. Moet de stad in het teken staan van vermaak en consumptie en willen we daar zo veel mogelijk geld aan verdienen? Of vinden we andere waarden belangrijk, zoals schoonheid, leefbaarheid, duurzaamheid, creativiteit, geschiedenis? Ik zou in ieder geval willen voorkomen dat Amsterdam op een dag werkelijk het Venetië van het noorden wordt – een decor waarin alleen toeristen zich nog thuis voelen.