Krekels gedragen zich in het lab niet zoals in het wild

De ongewervelde krekel heeft, net als sommige gewervelde proefdieren, in het wild een ander karakter dan in het laboratorium.

Dieren gedragen zich in het wild anders dan in gevangenschap. Ze kunnen op de ene plek een heel ander karakter vertonen dan ergens anders. Maar dat geldt niet voor alle karaktereigenschappen, aldus Britse onderzoekers in tijdschrift Proceedings of the Royal Society B. Sommige trekjes zijn variabeler dan andere – in elk geval bij de krekels die zij onderzochten.

Sommige krekels waren schuw in het lab, maar terug in hun natuurlijke omstandigheden was van hun ‘verlegenheid’ niets meer te zien. Volgens de Britten is nu wel duidelijk dat dit een rol speelt bij ál het proefdieronderzoek.

De kat is op vakantie ook anders

Kattenbaasjes kennen het verschijnsel wellicht ook: in het vakantiehuisje gedraagt de kat zich veel schuwer dan thuis, of juist wilder. En sommige ouders van drukke kleuters horen tot hun verbazing dat hun kind op school heel stil is – of andersom.

De omgeving heeft duidelijk invloed op gedrag dat we toeschrijven aan karakter: levendigheid, nieuwsgierigheid, schuwheid, opvliegendheid. Dat is lastig voor wetenschappers die onderzoek doen naar karakter. Dergelijk onderzoek is populair: zijn die eigenschappen bijvoorbeeld erfelijk, en waar hangen ze vanaf? Om die vragen te beantwoorden doen veel biologen dieronderzoek in het lab.

Maar gelden de uitkomsten ook in het wild? Er zijn vergelijkingsstudies gedaan bij gewervelde dieren – met wisselende resultaten. Bij koolmezen en rode eekhoorns lijkt het exploratiegedrag (‘nieuwsgierigheid’) in het wild en in gevangenschap hetzelfde, maar bij Siberische grondeekhoorns niet.

„Zulk onderzoek gebeurt altijd bij gewervelde dieren”, zegt hoofdonderzoeker Tom Tregenza van de Universiteit van Exeter. „Terwijl veel labonderzoek juist plaatsvindt bij ongewervelden, zoals wormen en insecten. Ook daarvan is het belangrijk dat we weten of hun gedrag in het lab representatief is voor hoe ze in het wild leven.”

Veldkrekels met plastic rugnummers

De Britse biologen deden veldwerk in Spanje met wilde veldkrekels. Die wonen in holletjes in de grond, waarin ze zich terugtrekken om te rusten en om vijanden te ontvluchten. De onderzoekers plaatsten camera’s bij 200 van die holletjes in één veld. De bijbehorende krekels merkten ze met kleine plastic rugnummers. Zo konden ze van iedere krekel precies bijhouden hoe vaak hij zijn holletje verliet (een maat voor activiteit), hoe vaak hij bij andermans holletje opdook (een maat voor exploratie, ofwel nieuwsgierigheid) en hoe lang het duurde voordat hij weer uit zijn holletje tevoorschijn durfde te komen nadat de onderzoekers hem met een kwastje naar binnen hadden gejaagd.

Zo konden ze van iedere individuele krekel een score opstellen voor die drie karaktertrekken ‘in het wild’. Ze vingen de krekels en herhaalden de experimenten in een grote kooi in het lab. Hoe nieuwsgieriger een krekel in het veld was, hoe nieuwsgieriger hij ook in het lab bleek te zijn. Hetzelfde gold voor exploratiegedrag. Maar de schuwheid in het veld zei niets over dezelfde eigenschap in de laboratoriumsituatie. „Op zichzelf waren we niet geïnteresseerd in schuwheid en ook niet specifiek in krekels”, zegt Tregenza, „maar dit laat heel mooi zien dat karaktereigenschappen ook bij ongewervelde dieren kunnen afhangen van de context. Met dit onderzoek willen we een brug slaan tussen veld- en labonderzoek. En duidelijk maken dat labonderzoek niet altijd alles zegt.”