Had je dit stukje moeten hebben willen kunnen lezen?

Vanaf het jaar 1300 begonnen we in het Nederlands werkwoorden achter elkaar te zetten. We kunnen er een heleboel achter elkaar kwijt, en dat kan maar in weinig talen.

Je kunt het zeggen in het Nederlands: dat je iemand ‘zou moeten hebben willen kunnen horen praten’. Zeven werkwoorden achter elkaar, waaronder zes hele werkwoorden. Dat kan in maar weinig talen. En drie of vier werkwoorden achter elkaar is in het Nederlands heel normaal. Dat was niet altijd zo: de mogelijkheid om drie of meer werkwoorden te clusteren is geleidelijk ontstaan tussen 1300 en 1600. De Vlaamse taalkundige Griet Coupé heeft die historische ontwikkeling heel mooi weten te reconstrueren en promoveerde daar vrijdag op aan de Radboud Universiteit.

Coupé analyseerde werkwoordclusters in geschreven teksten uit 1300-1600. Geen literaire teksten, want die rijmden meestal en hebben daardoor niet per se een natuurlijke zinsbouw, maar ambtelijke en juridische teksten. „Veel rechtspraak: teksten over diefstal, overspel, moord en doodslag. Maar ook statuten van gilden, dat soort dingen. Het mooie daarvan is dat er altijd plaats en datum op staan.”

In de late Middeleeuwen en in de Renaissance is er nog geen Standaard-Nederlands. „Er zijn nog grote verschillen tussen de regio’s”, zegt Coupé. „De gegevens uit Brabant zien er héél anders uit dan die uit Drenthe.” Coupé heeft daarom drie verschillende varianten van het toenmalige Nederlands onderzocht: Drents, Utrechts en Brabants. Het Brabants loopt duidelijk voorop in de ontwikkeling naar langere werkwoordclusters. Niet zo vreemd, want het Brabants (van ’s Hertogenbosch tot Brussel) ligt met het Hollands ten grondslag aan het huidige Standaard-Nederlands.

‘Sal moghen gaen’ en ‘sal moeten bliven’

De ontwikkeling naar langere werkwoordclusters heeft zich in drie stappen voltrokken. Eind dertiende eeuw werd ‘zullen’ opeens af en toe gecombineerd met ‘mogen’ en ‘moeten’: „sal moghen gaen” (1277), schreef iemand, of „sal moeten bliven” (1292). Vervolgens werden ook andere werkwoorden met elkaar gecombineerd: ‘moeten kunnen’, ‘zouden moeten kunnen’. En de derde stap: als midden in zo’n cluster een voltooid deelwoord staat, verandert dat steeds vaker in een infinitief. De eerste werkwoorden waarbij dat gebeurt zijn ‘laten’ en ‘doen’. Het is ‘ik heb gelaten’ en ‘ik heb laten weten’. Het is ‘ik heb gedaan’, en ook ‘ik heb doen toekomen’. Daarna gebeurde hetzelfde bij hulpwerkwoorden als ‘kunnen’ en ‘moeten’: het is ‘had gekund’ en ‘had gemoeten’, en ook ‘had kunnen weten’ en ‘had moeten weten’.

In de taalkunde is dit het IPP-verschijnsel gaan heten, een afkorting van de Latijnse term infinitivus pro participio: ‘de infinitief in plaats van het voltooid deelwoord’. Dat is in het Nederlands in de loop der tijd heel algemeen geworden, veel meer dan bijvoorbeeld in het Duits. Er is een heel rijtje van alledaagse werkwoorden die, wanneer gevolgd door een infinitief, aan dit verschijnsel meedoen: lopen, zitten, liggen, staan, horen, zien, leren, durven, blijven, gaan... Dus is het: hebben lopen klungelen, hebben horen lachen, zijn gaan slapen. Zelfs ‘zijn’ doet mee aan het IPP, in de vorm ‘wezen’: ‘Ik ben wezen stappen’.

Dat de werkwoordclusters nu gemiddeld langer zijn dan rond 1200 past binnen een grotere grammaticale verschuiving in de Westgermaanse talen zoals het Nederlands. Rond het jaar nul hadden we een ‘synthetisch’ werkwoordensysteem, met veel uitgangen – zoals nog te zien is in ‘men neme’. Dat is langzaam veranderd in een analytisch werkwoordensysteem met hulpwerkwoorden en hulpwerkwoord-achtige werkwoorden: nu zou je ‘je moet nemen’ zeggen.