Als er geschoten wordt, trekt dat toch bezoekers

Re-enactors trokken dit weekend hun historische outfit uit de kast; D-Day werd herdacht. Het naspelen van historische gebeurtenissen wordt populairder, zeggen de re-anactors zelf. Kritiek over oorlogsverheerlijking doen ze van de hand. ‘Het gaat om de geschiedenis.’

Het was afgelopen weekend druk in Hoek van Holland. D-Day werd herdacht en was het Open Bunker Dag. Foto Peter de Krom
Het was afgelopen weekend druk in Hoek van Holland. D-Day werd herdacht en was het Open Bunker Dag. Foto Peter de Krom

Van de Duitse Weermachtsoldaat bij het Atlantikwall Museum in Hoek van Holland kijkt niemand op. Hij mag er intimiderend uitzien, met zijn zwarte, glimmende laarzen met klinknagels onderop de zolen en zijn – naar verluidt slechts geacteerde – norse blik. Maar geen kind, senior of ander dagjesmens dat zich laat afschrikken. Integendeel. Sommigen willen juist graag met hem op de foto. Vaders hijsen hun kinderen in de originele Amerikaanse legerjeep uit 1942 die voor de gelegenheid ook is meegebracht. De Amerikaanse paratroeper van de beruchte 101ste Luchtlandingsdivisie moet ook op de gevoelige plaat. Want hoe meer personages, hoe beter.

Ron Veltman, de parachutist, lacht breed als hem wordt gevraagd naar de outfits. „Wij zijn re-enactors”, zegt hij: mensen die zich zo authentiek mogelijk uitdossen en historische gebeurtenissen naspelen. Vandaag staan hij en de anderen (er is ook nog een hoekige Canadese infanterist) het museum bij. Want deze zaterdag is de herdenking van D-Day. Bovendien is het Open Bunker Dag, een jaarlijks evenement waarbij alle oude bunkers langs de kust opengaan. Dan wordt er doorgaans veel publiek verwacht. „Vandaag ben ik een Amerikaanse paratroeper”, zegt Veltman, die in het dagelijks leven in het palletvervoer werkt. „Maar andere keren ben ik weer een Duitse soldaat.” Daar is niks mis mee, stelt hij. „Je kunt de Tweede Wereldoorlog niet naspelen met alleen geallieerde soldaten.”

Het re-enacten is in Nederland steeds populairder aan het worden, vervolgt hij. „Er zijn de laatste jaren talloze clubjes opgericht. Sommige spelen de Eerste Wereldoorlog na. Anderen de Koude Oorlog.” En weer anderen, zoals hijzelf, doen vooral de Tweede Wereldoorlog na. Het taboe daarop begint eraf te raken, merkt hij. „De oude generatie, die de oorlog nog heeft meegemaakt, sterft uit.”

Het gaat allemaal om de geschiedenis

Veltman zegt dat hij het doet omdat het leuk is, maar vooral ook vanwege de geschiedenis. Hij vindt dat Nederlanders vaak maar weinig historisch besef hebben, en hoopt dat re-enacten daar wat aan kan veranderen. Kritiek over oorlogsverheerlijking of geschiedsvervalsing (helemaal historisch correct is wat ze doen natuurlijk niet altijd, erkent hij, dat is ook moeilijk) wuift hij van de hand. „Antifascistische groepen proberen onze re-enactments soms hardhandig te verstoren. Maar waarom zou ik de oorlog willen verheerlijken? Mijn opa is door de Duitsers tegen de muur gezet.”

Veltman stelt dat voorafgaand aan re-enactments altijd uitgebreid wordt gesproken met de politie en gemeente. En er worden vergunningen aangevraagd. Want soms wordt er ook weleens (met losse flodders) geschoten. Wie lid wil worden moet door een strenge ballotage. „Je wil geen mensen die het om het schieten gaat.”

Voorlopig gaan Veltman en zijn vereniging enthousiast verder. Onlangs hebben ze op een veiling een origineel machinegeweer gekocht en daar willen ze binnenkort ook mee gaan re-enacten. „Als er geschoten wordt, trekt dat toch bezoekers aan”, lacht hij. Maar dan moeten wel eerst alle vergunningen binnen zijn, vervolgt hij, alles moet keurig volgens de regels verlopen. „Je wil niet dat er iemand als nazi verkleed in het bos staat met een mitrailleur en er een paar mensen langslopen die van niets weten.”