Vier ton voor de Mookerhei

Economen en milieukundigen willen weten wat de natuur waard is, in harde euro’s. Door de financiële waarde van natuur te bepalen, denken ze, heeft die meer kans tegenover kettingzagen en asfalt.

Limburgs groen uitgedrukt in euro’s
Limburgs groen uitgedrukt in euro’s

Ten zuiden van Nijmegen ligt de Mookerhei. Een natuurgebiedje met bos en heide in de noordelijkste punt van de provincie Limburg. Vier vierkante kilometer zorgeloosheid. Een steil bospad op, naar een hooggelegen heideveld in de zon. Bloeiende brem, een biddende valk en een on-Nederlands uitzicht over het Maasdal. Het gepiep van achteruitrijdende vrachtwagens op het naastgelegen bedrijventerrein is duidelijk te horen, maar bij zoveel schoonheid doet dat er niet toe.

Hoeveel is deze natuur waard?

Dit is geen filosofische vraag. Bedoeld wordt de waarde in euro’s. Wandelaar Geurt Franzen uit Boxmeer, rugzak om en zonnebril op, staat even stil. Hij denkt even na. „Tsja. De waarde.” Hij is aan het wandelen met zijn volwassen dochter Charlotte. „We verwonderen ons net over het prachtige uitzicht. Alleen al de hoogte van deze heuvel is extra euro’s waard. En vanwege de bomen, die zuurstof maken.” Charlotte: „De diverse begroeiing.” Geurt: „Het bos en de heuvels.” Charlotte: „En de bereikbaarheid.” Geurt: „In totaal zeker méér dan een miljoen. Minstens het jaarsalaris van één trainer van het Nederlands elftal.” Zinvolle vraag dus, hoeveel dit gebied waard is? Charlotte: „Ja en nee. Het is eigenlijk onbetaalbaar.”

Een groeiende groep wetenschappers zoekt ook naar de antwoorden. Een bonte mix van ecologen, economen, milieukundigen en natuurbeschermers wil weten wat de natuur waard is, tot op de laatste euro. Want Lucebert kon wel dichten dat alles van waarde weerloos is – misschien is het omgekeerde waar. Door de financiële waarde van de natuur te bepalen, denken ze, heeft ze meer kans tegenover kettingzagen, asfalt en fabrieksschoorstenen.

Daarom hebben wetenschappers uit Wageningen nu uitgerekend wat de reële bijdrage is van alle natuur in de provincie Limburg aan de economie. Of, liever gezegd: daar maakten ze een begin mee. Ze rekenden aan schone lucht, water, gewassen voor mensen en dieren, het broeikaseffect, jacht en toerisme. Het resultaat staat in het aprilnummer van het tijdschrift Ecological Economics: de kaart hiernaast, met vakjes van 25 bij 25 meter.

Ja, dat is gedetailleerd. Op verzoek leveren de onderzoekers binnen een half uur ook de getallen voor de mooie Mookerhei. De 376 hectare van dat natuurgebied leveren de mens 403.296 euro per jaar op. Gemiddeld 10,8 cent per vierkante meter, met een uitschieter naar 35,5 cent. Maar om nog even op voetbal terug te komen: het is wel een stuk minder dan de 10 miljoen euro die coach Louis van Gaal vorig jaar naar schatting ophaalde.

Voor de hele provincie Limburg kwam hun berekening uit op 112 miljoen euro per jaar. Promovendus Roy Remme vertelt over zijn studie, in de zon aan een tuintafel op de universiteitscampus. „Niet zoveel hè”, zegt hij – het aandeel van Limburg in het bruto binnenlands product is volgens de recentste cijfers 34,9 miljard euro. „Maar we hebben ook nog lang niet alles meegerekend.”

Retorica

De aandacht van politici voor dit soort berekeningen werd bijna twintig jaar geleden gewekt, met één artikel in Nature in 1997. Auteur was de Amerikaanse milieueconoom Robert Costanza – een man met gevoel voor retorica. Hij berekende wat alle natuur op de planeet aarde waard is voor de mens, in dollars. Waarom hij eraan begon? Costanza schreef droogjes: „Biosfeer I (de aarde) is een erg efficiënte, goedkope leverancier van levensreddende diensten voor mensen.” Het onderwerp ‘ecosysteemdiensten’, gestaag in opkomst sinds de jaren tachtig, werd door Costanza’s publicatie in één klap bekend. Het artikel is volgens Google Scholar inmiddels ruim 13.500 keer geciteerd.

„Costanza’s artikel was een wakkerschudmoment”, zegt Remme. De totale waarde van de ecosysteemdiensten van de natuur, van bestuiving en bodemvorming tot plantenrassen en ‘regulering van de chemische balans in de atmosfeer’, bedroeg volgens Costanza 33.000 miljard dollar per jaar (vorig jaar stelde hij het bij naar 125.000 miljard dollar per jaar).

Remme: „Dat is een heel grove schatting. Stel dat je de waarde van natuur écht wil bepalen – hoe moet je dat dan doen?” Natuur en economische groei moeten zoveel mogelijk op dezelfde weegschaal, daar gaat het om. Limburg was voor Remme en zijn hoogleraar Lars Hein een proefproject. Hein: „Neem landbouw. Die is mede afhankelijk van natuur. Er is water nodig, een gezonde bodem, bestuivende insecten. Maar we hebben geen goede manier om die waarde van de natuur voor landbouw te bepalen, en te vergelijken met economische cijfers.”

De Limburgse studie heeft een evenknie in Noorwegen en in Indonesië. Heins promovendus Elham Sumarga maakte gelijksoortige berekeningen in de Indonesische provincie Centraal-Kalimantan, op het eiland Borneo. Sumarga publiceerde in april in Ecosystem Services. Hein: „Zo konden we laten zien dat de aanleg van palmolieplantages op veengrond – daar ligt een kwart van de plantages in Indonesië – niet rendabel is. De kosten van de natuurvernietiging en CO2-uitstoot zijn hoger dan de baten van de palmolie.”

Wat is de natuur waard voor de mens, daar gaat het steeds om in dit soort studies. In jargon: de natuur is kapitaal en levert ons diensten, ‘ecosysteemdiensten’. Kenners onderscheiden er 20 à 25; Remme en Hein berekenden er in Limburg zeven. Allereerst de teelt van gewassen voor mensen en dieren. Dan jacht, toerisme en drinkwaterwinning uit grondwater. En dan zijn er nog minder concrete diensten. Planten en bomen die groeien, leggen ook kooldioxide vast en verminderen zo schade door het broeikaseffect. En die bomen vangen fijn stof (zoals roet) op, en verminderen daardoor gezondheidsschade.

Het Limburgse landschap droeg volgens de Wageningers 112 miljoen euro bij aan die zeven diensten (zie kader). Remme: „We konden lang niet alle diensten berekenen. Zelfs houtproductie uit bossen blijkt niet te worden bijgehouden. En er is nog veel meer.”

Het uitzicht bijvoorbeeld, waar vader en dochter Franzen zo van genoten. „Wat je mist is de gevoelswaarde, de waarde voor kunst en inspiratie. Die waarde is een van de belangrijkste aspecten van onze natuur voor de mens. En er bestaat geen goede manier om die waarde te bepalen.” Ja, je kan mensen vragen wat ze willen betalen – dat wordt wel gedaan. Remme: „Maar dan noemen ze vaak onrealistisch hoge cijfers. Ze willen dat niet écht betalen.”

Milieurekeningen

De koele, concrete manier van optellen waarmee Hein en Remme in Limburg experimenteren (‘ecosystem accounting’ in jargon) wordt wellicht ooit de standaard in Nederland en zelfs wereldwijd. Er lopen pilots in onder meer het Verenigd Koninkrijk, in Australië, en in Nederland. Het Centraal Bureau voor de Statistiek studeert, in samenwerking met de Wageningers, op uitbreiding van de ‘milieurekeningen’. Die beschrijven onder meer hoe de Nederlandse economie water verbruikt, en vuile lucht en broeikasgas genereert. CBS-onderzoeker Bram Edens schreef ‘op persoonlijke titel’ mee aan de Limburgse studie. En hoogleraar Hein zit in een projectgroep van het statistisch bureau van de Verenigde Naties die werkt aan een uitbreiding van de VN-standaard voor milieurekeningen.

Remme: „Met zulke cijfers kun je laten zien hoe de waarde van natuur varieert tussen plaatsen, en in de tijd. Stel dat je in een gebied ingrijpt, hoe verandert de waarde van de ecosysteemdiensten dan?

En, voegt hij toe: „Het is ook een andere manier om maatschappelijke aandacht te krijgen voor de natuur. Als ergens een mot verdwijnt, kan niemand dat wat schelen. Terwijl je met ecosysteemdiensten kunt laten zien dat het gebied waar die mot leeft, op wel zes manieren belangrijk is voor de mens. Het is een beetje flauw dat het op die manier moet, maar ik denk dat het werkt.”