Red de orang-oetan, hang hem een prijskaartje om

Dat dieren en landschappen economische waarde hebben, is een steeds populairder argument van natuurbeschermers.

Wetenschappers die de waarde van natuur in harde euro’s becijferen, hebben doorgaans wat uit te leggen. Dit zijn de belangrijkste vragen.

1 Kan je de ‘dienstverlening’ door de natuur in geld uitdrukken?

„De natuur is eigenlijk onbetaalbaar”, peinsde wandelaar Charlotte Franzen op de Mookerhei. Wat mensen aan de natuur hebben of ervoor willen betalen, doet er niet toe of is zelfs een immorele vraag, zeggen tegenstanders van het rekenen aan de ‘diensten’ van natuur. Natuur is waardevol om zichzelf. Welk economisch argument redt de laatste Limburgse vuursalamanders, of de berggorilla?

Ho even, zeggen de voorstanders. Biologische argumenten hoeven niet van tafel. „De intrinsieke waarde van de natuur blijft bij mij bovenaan staan”, mailt onderzoeker Dolf de Groot uit Wageningen. Hij schreef mee aan Costanza’s beroemde Nature-artikel. „Als we de laatste berggorilla’s willen beschermen, heb je geen ingewikkelde berekeningen nodig.”

Maar in lastiger kwesties doet geld bedrijven of overheden vaker ten gunste van de natuur beslissen, denken ze. Milieueconoom Pieter van Beukering van de Vrije Universiteit: „Naar een econoom op de kansel wordt beter geluisterd dan naar een ecoloog.” De Groot: „We moeten af van het idee dat natuurbehoud alleen maar geld kost. Uitgaven daaraan zijn een investéring.”

2 Wat zet je op het prijskaartje?

Dat verschilt nogal. De waarde van een hectare kust (of een hectare tropisch bos) kan tussen studies een factor honderd uiteen liggen, en dat komt niet alleen doordat de ene kust mooier is dan de andere. Het komt ook doordat er geen standaardlijst is van ecosysteemdiensten, en evenmin een vaste methode om ze te berekenen.

Moet je „in stand houden van de voedselketen” meerekenen als ecosysteemdienst, of telt dat dan dubbel met visserij?

Bovendien gaapt er een enorm gat tussen de marktwaarde van de natuur en wat mensen zouden willen betalen (in economiejargon: de marktwaarde plus het consumentensurplus). Dit klinkt saai, maar het is een belangrijk verschil.

Even terug naar de berekeningen aan de Limburgse natuur. Die draagt jaarlijks 10,8 miljoen bij aan waterwinning. Dat is de werkelijke besparing voor waterbedrijven die in Limburg water uit schone grondwaterputten winnen, in plaats van uit de rivier: de marktwaarde van die ecosysteemdienst. Roy Remme: „Maar het is een onderschatting van de werkelijke waarde. Want als er géén schoon grondwater is, is de schade voor mensen veel groter.”

De meeste milieueconomen vragen daarom wél aan consumenten of toeristen wat ze bereid zouden zijn te betalen, voor schoon water, rust, een mooi uitzicht, koraalriffen of orang-oetans. Dan komt de waarde van een landschap hoger uit – als de orang-oetans bijna op zijn zelfs véél hoger.

3 En wat gebeurt er met zo’n berekening?

Milieu-economen claimen dat ze met prijskaartjes voor de natuur concreet milieubeleid beïnvloeden. Ten gunste van natuur en milieu, bedoelen ze. Er is in dit vakgebied zover bekend nog niet met economische argumenten voor gepleit een natuurgebied op te heffen.

Pieter van Beukering van de VU somt op. Wie consumenten of toeristen vraagt of ze bereid zouden zijn om te betalen voor natuur, kan vervolgens proberen dat geld écht te vragen. Ook is zo aan te wijzen waar een industrieterrein of palmolieplantage het minst kwaad kan. Ten slotte is de omvang van milieuschade beter in te schatten.

Werkt het in de praktijk? Dolf de Groot reageert: „Het is best lastig om concrete gevallen te vinden.” Volgens Van Beukering gaf zijn rapport over de natuurwaarde van Bonaire (105 miljoen dollar) in 2013 voor staatssecretaris Dijksma de doorslag om 7,5 miljoen euro beschikbaar te stellen voor de natuur op Bonaire, Saba en St. Eustatius. „Dat heeft ze me verteld.”

De Groot: „Ik heb nu een database met ongeveer driehonderd projecten, en er zijn heel veel andere initiatieven en studies. Volgens mij blijkt daaruit dat informatie over de economische waarde van natuur wel degelijk tot meer geld voor natuurbehoud leidt.

„Maar of dit ‘hard bewijs’ is? Als de Haringvlietdam in 2018 open gaat, of als ze straks besluiten om hem op te blazen, zal het heel moeilijk zijn aan te geven of mijn berekeningen daaraan hebben bijgedragen.”