Opinie

Herinneringen

Een week geleden presenteerde ik in Arnhem een columnbundel waarin in ieder verhaal het woord Arnhem voorkomt. De plaatselijke boekhandel had het groots aangepakt, waardoor ik achter Showband Mystique, waarvan de leden voor we vertrokken eerst nog allemaal moesten plassen, door het winkelhart marcheerde. Vrienden zeiden me later dat ik schaamte ‘waardig droeg’.

Na iedere bocht zag ik mijn vader meewarig het hoofd schudden.

Toen hij terug kwam uit Nederlands Indië zag hij de fanfare en de versierde platte kar al van ver bij het ouderlijk huis staan. Hij nam een omweg, glipte door de achterdeur naar binnen en ging met zijn plunjezak op zolder zitten, waar hij uiteindelijk werd gevonden door zijn broer, waarna het circus alsnog begon.

Ik vond het hinderlijk dat mijn vader in mijn hoofd meehobbelde en vroeg beleefd of hij er voor even uit wilde, maar dat ging niet meer. Na zijn dood had ik me op zijn leven gestort. Ik wist nu dat hij bij zijn geboorte vijf kilo woog, dat hij de koffie tijdens de lunchpauze met veel melk consumeerde, dat er van alle adviezen die hij gaf maar een was uitgevoerd en dat hij bij vergaderingen nagenoeg geen inbreng had. Heel anders dan thuis waar hij de wereld tijdens het journaal becommentarieerde. Maar wie hij was, wist ik nog steeds niet.

In café Atlanta zat mijn moeder op de eerste rij. Na afloop zei ze tegen mijn vrienden dat mijn vader, als hij nog geleefd had, niet alleen naast haar zou hebben gezeten, maar dat hij ook nog heel hard zou hebben geklapt. En ook dat ze zijn aanwezigheid vooral in de ochtenden miste.

Wat deed hij dan ’s ochtends?

Hij at een boterham, dronk een kop thee en verder herinnerde ik me vooral het gestommel. Het zichzelf verplaatsen van de ene naar de andere stoel met een boek, of het zwijgend inspecteren van de groei en bloei van de druivenstruik onder het afdak.

Later die middag waren er meer die me ongevraagd kwamen vertellen wat mijn vader van het gebeuren zou hebben gevonden en dat ze uitkeken naar het boek dat ik ooit over hem ging schrijven.

Ik was ergens in gaan roeren en dit was mijn straf, dacht ik. Waar ik ook kwam, er waren er altijd wel een paar die me kwamen zeggen wat hij ergens van zou hebben gevonden. Goedbedoelde onzin was het. Als hij me nog iets wilde zeggen was het ‘laat me met rust’ en waarschijnlijk was dat ook voor iedereen het beste.