Magiër van God Gnot

grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Op wie zou ik stemmen als er in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen in Frankrijk moest worden gekozen tussen het extreemrechtse Front National van Marine Le Pen en de gematigd overkomende Mohammed Ben Abbes van de Moslimbroederschap? Daarover breek ik mij het hoofd na lezing van de in 2022 spelende roman Onderworpen van Michel Houellebecq.

Zijn vaste vertaler, Martin de Haan laat in zijn boek Aan de rand van de wereld: Michel Houellebecq [1] in het midden wat hij zou doen. Van de ruim twintig, veelal eerder verschenen stukken die hij bundelde over de grote Franse schrijver en provocateur is er slechts één gewijd aan diens angstaanjagende nieuwste roman. In Onderworpen zwicht de hoofdpersoon François, zoals veel van zijn mannelijke collega-docenten aan de Sorbonne, voor de islam, terwijl zijn minnares, de studente Myriam, in allerijl met haar hele familie naar Israël is geëmigreerd. „Is Houellebecq voor of tegen de islam”, vraagt De Haan zich af. „Voor of tegen polygamie? Voor of tegen vrouwenarbeid? Voor of tegen prostitutie? Voor of tegen extreemrechts?” Hij besluit met de opmerking dat de roman Onderworpen daarover in alle toonaarden zwijgt. „Of beter, kakelt in alle toonaarden door elkaar. Dat is kunst.”

Een medebewonderaar heeft De Haan in dichter-uitgever Chrétien Breukers (1965), blijkt uit Boeken die ik 12 jaar niet heb gezien, het verslag van (her)lezing van boeken die lange tijd in bananendozen waren opgeslagen.

Persoonlijke ervaringen van een lezer kunnen interessante lectuur opleveren: herkenning, nieuwe inzichten of onverwachte interpretaties. Een probleem met de leesmemoires van Breukers is dat hij te vaak pontificaal tussen de lezer en het behandelde boek in gaat staan. Zo begint een stukje over Op het lichaam geschreven [2] van Jeanette Winterson met de mededeling: ‘Ik heb de roman kort na verschijnen van de Nederlandse vertaling gelezen, in 1982. Was ik toen verliefd? Ik denk het wel. Vast wel. Ik was 27 en altijd verliefd’, enzovoort. Dat zegt dus niets over de roman van Winterson.

Als Breukers over het werk van de Vlaamse schrijver Leo Pleysier meldt nog niet te weten of hij Pleysier de komende jaren weer gaat volgen, denk je: nou en? Na 12 jaar in de bananendoos wordt Lodewijk van Deyssel afgeserveerd, maar deze zal daar niet postuum van wakker liggen. Cees Nooteboom? ‘Een salonschrijver’. Grappig genoeg verwijt Breukers iemand anders ‘schaamteloze zelfverheffing’.

Dat een egotrip naar het verleden wél iets kan toevoegen aan het collectieve geheugen, bewijst Waar zijn al die provo’s heen? [3] door oud-provo Auke Boersma (1946), persoonlijke herinneringen aan de jaren 1965-67, ooit opgeschreven voor zijn zoons, nu in druk verschenen met het oog op vijftig jaar Provo. Boersma was ‘magiër van God Gnot’. De Gnot-tempel was zijn heiligdom. ‘Ik had nu visioenen en de werkelijkheid paste zich aan bij mijn fantasie.’

Dit boek pretendeert geen geschiedschrijving te zijn (de geschiedenis van Provo is door Niek Pas geschreven in Imaazje), maar een roman, wat het ook niet is. Wel treft Boersma aardig de sfeer waarin een handvol jongens Amsterdam op stelten zette (de provo-meisjes hadden geen ideeën, heet het neerbuigend). In het groepje activisten heersten volgens dit verhaal venijnige onderlinge jaloezietjes en fikse machtsstrijd. Vooral Provo-voorman Roel van Duijn moet het wegens zijn dictatoriale en fantasieloze gedrag ontgelden.

Wat ontbreekt in dit boek is de ironie, die toch de kracht van provo is geweest. De vraag uit de titel wordt beantwoord met een afsluitende dodenlijst: nogal wat spraakmakende provo’s zijn gesneuveld aan alcohol of drugs.